Het rechterlijk bevel en verbod als remedie
Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/7.1:7.1 Inleiding
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/7.1
7.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692180:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
294. Het rechterlijk bevel en verbod vinden hun grondslag in art. 3:296 lid 1 BW. In dat artikel is neergelegd dat, tenzij uit de wet, de aard der verplichting of uit een rechtshandeling anders volgt, hij die jegens een ander verplicht is iets te geven te doen of na te laten, daartoe door de rechter, op vordering van de gerechtigde, wordt veroordeeld. Het artikel heeft een ruime strekking en ziet niet alleen op verbintenissen uit overeenkomst, maar ook op verbintenissen uit onrechtmatige daad en de daaraan ten grondslag liggende rechtsplichten. Een op dit artikel gebaseerde veroordeling zal veelal een bevel of verbod inhouden dat strekt tot nakoming van een verbintenis of een (andere) rechtsplicht. Dat kan dus zowel een bevel zijn om bijvoorbeeld een leveringsverplichting na te komen als een verbod om een onrechtmatige daad te verrichten. Voordat ik hierna op de afzonderlijke eisen in ga die voortvloeien uit het artikel, omschrijf ik eerst in vogelvlucht de historie van het rechterlijk bevel en verbod.