Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/3.4
3.4 De systematiek van art. 2:9 BW en stelplicht- en bewijslastverdeling
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS350944:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1982/83, 17 725, nr. 3 (MvT), p. 57.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3 (MvT), p. 8-9.
Kamerstukken I 2010/11, 31 763, nr. c (MvA), p. 5. In dat verband zou de bestuurder volgens de memorie van toelichting bij het huidige art. 2:9 BW bijvoorbeeld kunnen wijzen op de taakverdeling tussen bestuurders Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3 (MvT), p. 8. Zoals hierna in par. 3.6 uiteengezet, is het gelet op het collegialiteitsbeginsel echter de vraag in hoeverre die taakverdeling daadwerkelijk relevant is, zeker wanneer het gaat over bestuurders van kapitaalvennootschappen (waar het collegialiteitsbeginsel van oudsher een nog fundamentelere rol lijkt te spelen dan bij andere rechtspersonen waar art. 2:9 BW op van toepassing is).
Zie bijvoorbeeld: Asser/Maeijer 2-III 2000/321, waarin is omschreven dat voor de onmiskenbare tekortkoming in de bestuurstaak (waarmee werd gedoeld op onbehoorlijk bestuur ex art. 2:9 BW) “ernstige verwijtbaarheid nodig is” en dat de aanwezigheid daarvan “door de eiseres-vennootschap zal moeten worden gesteld en aangetoond.” Zie ook: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/446 die hieraan toevoegden dat “het niet nodig [is] dat bij aanwezigheid van meerdere bestuurders, die ernstige verwijtbaarheid voor elke bestuurder apart wordt gesteld en bewezen”. Voorts stelden zij: “Wanneer bij aanwezigheid van meerdere bestuurders ernstige verwijtbaarheid is komen vast te staan, dan moet deze tekortkoming ingevolge de gedachte van het collectief bestuur aan alle bestuurders (het bestuur) worden toegerekend. De tweede zin van art. 2:9 BW komt dan aan de orde. Er is aansprakelijkheid van ieder van de bestuurders voor het geheel (hoofdelijke aansprakelijkheid, zie art. 6:7 BW), tenzij deze zich weet te disculperen en voorts aantoont dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van de tekortkoming af te wenden. [Daarvoor is] (…) voldoende dat een individuele bestuurder aantoont dat hem geen ernstig verwijt treft.”
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3 (MvT), p. 8-9 en HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 m.nt. J.M.M. Maeijer en JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven).
Zie ook: Strik 2010, p. 47 die daarover echter schrijft dat de stelplicht en bewijslast “op het ontbreken van de persoonlijke verwijtbaarheid” expliciet op de gedaagde individuele bestuurder rust.
J.B. Wezeman, Aansprakelijkheid van bestuurders (diss. Groningen; Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 29), Deventer: Kluwer 1998, p. 70.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/446.
Zie ook: F.J.P. van den Ingh in zijn noot bij Rb. Rotterdam 17 juni 1999, JOR 1999/244.
De term ‘ernstig verwijt’ is echter pas op 1 januari 2013 gecodificeerd en heeft praktisch geen betekenis in art. 2:9 BW (zie hoofdstuk 8 hierna) terwijl, zoals hierna in par. 3.6 uiteengezet, gelet op het collegialiteitsbeginsel met name bij kapitaalvennootschappen vraagtekens moeten worden geplaatst bij de relevantie van de taakverdeling.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/202. Zie voor aansprakelijkheid ex art. 2:138/248 BW voorts: Assink & Slagter 2013, Compendium Ondernemingsrecht, p. 1063 en de verwijzing naar Rb. Arnhem 27 april 2011, JOR 2012/2 (Welling/Spaan) en Rb. Rotterdam 31 augustus 2011, JOR 2012/3 m.nt. C.M. Harmsen (Smelik/De Regt). Zie ook: Van Zeben, Belifante & Van Ewijk 1962, PG Boek 2 BW, p. 138, 436 en 541: “de mate van ieders schuld is slechts van belang bij het onderling verhaal als éé n van hen de gehele schuld heeft voldaan”.
Uit de ontwikkeling van art. 2:9 BW, zoals hiervoor in par. 3.2 uiteengezet, valt op te maken dat volgens de wettekst zoals deze gold tot 1992, de bestuurder diende “te bewijzen” dat hij zich kon disculperen. Dit kon hij door – kort gezegd – aan te voeren dat het onbehoorlijk bestuur zijn taak niet betrof en hij niet nalatig was geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden. De wettekst luidt thans echter – kort gezegd – dat aansprakelijkheid bestaat “tenzij” hem “mede” gelet op deze taakverdeling geen ernstig verwijt treft en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen. Dit lijkt op een verbetering van de positie van de bestuurder. Dat is evenwel niet het geval omdat de ‘tenzij-wijziging’ in 1992 slechts ‘redactioneel’ van aard was1 en met de codificatie van de term ‘ernstig verwijt’ op 1 januari 2013, blijkens de bedoeling van de wetgever,2 slechts beoogd was aansluiting te zoeken bij de in de rechtspraak gebruikte terminologie (zie hierna hoofdstuk 7). De memorie van antwoord bij het huidige art. 2:9 BW bepaalt dan ook dat daar waar individuele bestuurders een beroep kunnen doen op de mogelijkheid van disculpatie, “nodig [is] dat de bestuurder bewijst dat hem geen ernstig verwijt ter zake van het onbehoorlijke bestuur kan worden gemaakt.”3 De systematiek van art. 2:9 BW is volgens de wetgever (dus nog steeds) dat:
de eisende rechtspersoon dient te stellen en bewijzen dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling. Terzijde, in de doctrine werd in het verleden betoogd dat de eisende rechtspersoon daarvoor tevens dient te stellen en bewijzen dat sprake is van ernstige verwijtbaarheid.4 Dit volgt evenwel niet uit de wettekst van het in het verleden geldende art. 2:9 BW (oud) noch uit het huidige art. 2:9 BW. Integendeel, uit het huidige art. 2:9 BW blijkt namelijk dat de ernstigverwijtmaatstaf is gecodificeerd na de “tenzij”. Een letterlijke toepassing van het huidige art. 2:9 BW zou dus ertoe leiden dat de bestuurder dient te stellen en bewijzen dat géén sprake is van een ernstig verwijt (zie hierover de discussie weergegeven in hoofdstuk 8). Hoewel uit de wetsgeschiedenis van het huidige art. 2:9 BW blijkt dat onbehoorlijk bestuur een ernstig verwijt vereist, laat diezelfde wetsgeschiedenis zien, zoals in par. 3.2 reeds genoteerd, dat dit uitgangspunt uitsluitend is gebaseerd op de wens van de wetgever om aan te sluiten bij de terminologie van de Hoge Raad in het arrest Staleman/van de Ven);5 en
nadat onbehoorlijk bestuur is vastgesteld, de individuele bestuurder dient te stellen en bewijzen dat hij gedisculpeerd is.6
De vraag of sprake is van (hoofdelijke) aansprakelijkheid van één of meer individuele bestuurders wordt dus per definitie vooraf gegaan door de vraag of sprake is van onbehoorlijke taakvervulling van een der bestuurders. Als sprake is van onbehoorlijke taakvervulling zijn in beginsel alle bestuurders hoofdelijk aansprakelijk. Deze hoofdelijke aansprakelijkheid sluit aan op de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de collegiale taakvervulling (zie hierover par. 3.6).7 De onbehoorlijke taakvervulling van een der bestuurders moet ingevolge de gedachte van het collectief bestuur namelijk aan het gehele bestuur worden toegerekend.8 Daarna pas komt men toe aan de beoordeling van de individuele aansprakelijkheid van iedere bestuurder, althans als een individuele bestuurder een beroep doet op de disculpatiegrond. Dat moet die bestuurder op grond van de wet wel doen, wil hij kans maken om aansprakelijkheid te ontlopen. Kan hij zich van de in beginsel vastgestelde hoofdelijke aansprakelijkheid disculperen? Vooral uit het oogpunt van bewijslastverdeling is dit onderscheid van belang. In de eerste fase rust de bewijslast namelijk primair op de vennootschap c.q. curator en in de tweede fase op de bestuurder die moet aantonen dat hem geen (ernstig) verwijt treft op de wijze zoals is aangegeven in de tweede zin van art. 2:9 BW.9 Daarvoor moet hij voldoen aan twee cumulatieve eisen. Hij moet volgens de huidige bepaling stellen en bewijzen dat:
het onbehoorlijk bestuur niet zag op zijn taken (de letterlijke tekst is dat de bestuurder “mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt”);10 én
hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling af te wenden.
Zoals hierna in par. 3.6.3, 3.6.4 en 3.8 zal worden toegelicht, komt deze stelplicht en bewijslast, die in de disculpatiefase op de bestuurder rust, in feite neer op de verplichting van deze bestuurder om aan te tonen dat hij heeft voldaan aan de op hem op grond van art. 2:9 BW rustende verbintenissen zijn taken inhoudelijk en collegiaal behoorlijk te vervullen, waaronder begrepen moet worden het nemen van maatregelen om de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling af te wenden. Als hij daarin slaagt, valt hem geen gewoon verwijt te maken en is hij niet aansprakelijk. Als hij daar niet in slaagt, valt hem wel een gewoon verwijt te maken van een tekortkoming in de op hem rustende verbintenis tot het behoorlijk vervullen van de bestuurstaak en is hij (hoofdelijk) aansprakelijk. De mate van schuld van de individuele bestuurder ten opzichte van zijn medebestuurders is dan niet meer relevant in het kader van de aansprakelijkheid jegens de rechtspersoon (zie hierna par. 3.8), maar kan nog wel een rol spelen bij de onderlinge regresverhouding die tussen de bestuurders als hoofdelijke schuldenaren ontstaat. De bestuurder die ingevolge art. 2:9 BW aansprakelijk is tegenover de rechtspersoon en uit dien hoofde schadevergoeding heeft betaald, kan regres nemen op zijn hoofdelijk aansprakelijke medebestuurders voor het gedeelte van de schuld dat ieder van hen in hun onderlinge verhouding aangaat, zo volgt uit art. 6:10 lid 1 BW. Art. 6:102 lid 1 jo. art. 6:101 lid 1 BW geeft voor het bepalen van die onderlinge verhouding een richtsnoer.11