Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/3.1:3.1 Inleiding
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/3.1
3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS349732:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De door de wetgever geformuleerde rechtsregel voor interne bestuurdersaansprakelijkheid is vastgelegd in art. 2:9 BW. De in deze wettelijke basis geformuleerde gedragsnorm is zonder twijfel een open norm: de bestuurder is gehouden zijn taak behoorlijk te vervullen. De beslissingsregel die de wetgever tot 1 januari 2013 in art. 2:9 BW had opgenomen luidde – kort gezegd – dat indien de bestuurder zijn taak onbehoorlijk vervult, hij aansprakelijk is. Indien het bestuur bestaat uit meerdere bestuurders is het gevolg in beginsel hoofdelijke aansprakelijkheid van alle bestuurders.1 Deze (hoofdelijke) aansprakelijkheid is ex art. 2:25 BW dwingendrechtelijk voorgeschreven. Om goed te begrijpen hoe de in de rechtspraak en doctrine ontwikkelde ernstigverwijtmaatstaf, die op 1 januari 2013 in art. 2:9 BW is gecodificeerd, zich verhoudt tot (de oorspronkelijke ratio en strekking van) art. 2:9 BW (oud), is het allereerst van belang in te gaan op de totstandkoming, de ratio, de betekenis en de systematiek van art. 2:9 BW. In dit hoofdstuk zal daarop worden ingegaan.2