25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/2.6:2.6 Legislatieve terughoudendheid II (2015-heden)
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/2.6
2.6 Legislatieve terughoudendheid II (2015-heden)
Documentgegevens:
mr. T.C. Borman, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. T.C. Borman
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Commissie evaluatie uitwerking van de nieuwe staatkundige structuur Caribisch Nederland, Vijf jaar verbonden: Bonaire, Sint Eustatius, Saba en Europees Nederland, Den Haag, 12 oktober 2015 (bijlage bij Kamerstukken II 2015/16, 34300 IV, 23).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De termijn van vijf jaar voor legislatieve terughoudendheid was niet toevallig gekozen. In de eerdergenoemde Slotverklaring was afgesproken dat de uitwerking van de nieuwe staatkundige structuur voor Caribisch Nederland na vijf jaar zou worden geëvalueerd door Nederland en de drie eilanden gezamenlijk. Deze evaluatie, door een commissie onder voorzitterschap van oud-BZK-minister Spies, verscheen op 12 oktober 2015.1 De commissie constateerde dat de legislatieve terughoudendheid in het algemeen leek te zijn nageleefd (met de aantekening dat er ook een hoeveelheid aan lagere wetgeving tot stand was gekomen). Zonder concrete voorbeelden te noemen, bestond volgens de commissie tegelijkertijd ‘het beeld dat met een beroep op de legislatieve terughoudendheid ontwerpen van wetgeving op de plank worden gehouden, ook in gevallen waarin het ongewenst zou kunnen worden geacht met nieuwe wetgeving te wachten’. Een van de slotconclusies was dat het gegeven de kleine schaal van de eilanden en de beperkte aanwezige capaciteit moeilijk blijft om de kwaliteit van het bestuur en de daarmee samenhangende ambtelijke organisatie duurzaam te waarborgen. ‘Voor het bevorderen van goed bestuur is het wettelijk kader een belangrijke randvoorwaarde.’ Maar ‘meer bepalend’ noemde de commissie ‘de wijze waarop door personen invulling wordt gegeven aan hun verantwoordelijkheden en de instrumenten die hen ter beschikking staan’. Beantwoording van de vraag welke aanpassingen van de wetgeving nodig zijn, behoorde niet tot de opdracht van de commissie.
In het in mei 2016 uitgebrachte kabinetsstandpunt over het evaluatierapport maakte het kabinet Rutte II duidelijk dat ook ‘in de komende jaren’ nog sprake zou zijn van legislatieve terughoudendheid.2 Bij de invoering van nieuwe wetgeving voor Caribisch Nederland wilde het kabinet naast enkele specifiek genoemde maatregelen prioriteit geven aan ‘wetgeving die voorziet in een basisbehoefte van de eilanden dan wel knelpunten wegneemt in de uitvoeringspraktijk’ en ‘het wegnemen van ongerechtvaardigde verschillen’. Zonder dit verder concreet te maken stelde het kabinet verder dat de inwoners van de eilanden ‘zijn gebaat bij goed functionerend openbaar bestuur en bijpassende dienstverlening, zowel op het niveau van lokaal bestuur als ook waar het de rijksoverheid betreft.’
Blijkens een brief van 22 juni 2018 van staatssecretaris Knops (BZK) aan de Eerste Kamer geldt het voorgaande ook nog steeds onder het kabinet Rutte III.3