Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/2.4
2.4 Opvattingen vóór 10-10-10
mr. T.C. Borman, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. T.C. Borman
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
J.B.J.M. ten Berge, ‘Een warm welkom voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba’, in: H.R.B.M. Kummeling en J Saleh (red.), Nieuwe verhoudingen in het Koninkrijk der Nederlanden, Utrecht: Universiteit Utrecht 2007, p. 21. Idem p. 39.
L.J.J. Rogier, ‘De nieuwe structuur, in het bijzonder de BES’, in: Kummeling en Saleh 2007, p. 34-35.
L.J.M. Ling Ket On en N. Verheij, ‘Bestuursrecht op de BES’, RegelMaat 2009, afl. 1, p. 42. Hetzelfde artikel is in oktober 2010 gepubliceerd in: A.L.C. Roos en L.F.M. Verhey (red.), Wetten voor de West. Over de wetgeving in het vernieuwde Koninkrijk der Nederlanden, Den Haag: Ministerie van Veiligheid en Justitie 2010, p. 117-123.
In plaats van de bepalingen over het Fries die toen nog in afdeling 2.2 Awb waren opgenomen, zouden er dan soortgelijke bepalingen moeten komen over het Papiaments en het Engels. Die bepalingen zijn er ook gekomen, echter niet in een aparte wet, maar als hoofdstuk 2b van de IBES (De taal in het bestuurlijk verkeer). De bepalingen in dat hoofdstuk zijn mutatis mutandis gekopieerd uit afdeling 2.2 Awb zoals die destijds gold.
Uit artikel 3 IBES volgt dus dat de Awb voor ingezetenen en bestuursorganen van Caribisch Nederland zelden betekenis heeft. Hoewel het genoemde voorlichtingsadvies van de Raad van State uit 2006 al ten grondslag lag aan deze keuze, werd daar destijds ook wel anders over gedacht. In 2007 schreef Ten Berge:
‘Het is voor mij vanzelfsprekend dat de Awb ook op de BES zal gelden. De Awb waarborgt rechtmatigheid en behoorlijkheid van bestuur en daar zal op de BES ook zeker behoefte aan bestaan.’1
Ten Berge zag de waarde van de Awb voor de BES vooral gelegen in de hoofdstukken 2 tot en met 7, 9 en 10 Awb. Rogier daarentegen meende dat toepassing daarvan niet zou aansluiten ‘op de rechtscultuur in de West’:
‘Ziet u bijvoorbeeld de uitgebreide uniforme voorbereidingsprocedure worden gevolgd op Saba? Om maar te zwijgen van de klachtenregeling (...). En dat zijn maar twee voorbeelden.’2
In 2009 noemden Ling Ket On en Verheij, destijds wetgevingsambtenaren op Justitie en in dit opzicht dus in zekere zin keurders van eigen vlees, de beslissing om de Awb voorlopig nog niet in te voeren op de BES-eilanden ‘een verstandige’.3 Wel meenden zij dat het wenselijk zou kunnen zijn om enkele onderdelen van de Awb ‘al in een vroeg stadium in te voeren’, namelijk de bepalingen over het verkeer tussen burgers en bestuursorganen,4 de algemene bepalingen over besluiten en de bepalingen over beschikkingen en de beslistermijn. Dit leek dus een pleidooi om niet heel lang te wachten met de invoering van de hoofdstukken 2 en 3 en titel 4.1 van de Awb.