Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/2.5
2.5 Legislatieve terughoudendheid I (2010-2015)
mr. T.C. Borman, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. T.C. Borman
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Afgezien van de algemene procesrechtelijke regels in de Wet administratieve rechtspraak BES. Verder zijn ook de Wet openbaarheid van bestuur BES en de regels in hoofdstuk 2b IBES over de taal in het bestuurlijk verkeer te kwalificeren als algemene regels van bestuursrecht, ook al staan zij in afzonderlijke wetten.
Zie de op 13 oktober 2009 uitgebrachte nota’s n.a.v. het verslag bij de wetsvoorstellen IBES en WolBES: Kamerstukken II 2009/10, 31957, 6, p. 7, en Kamerstukken II 2009/10, 31954, 7, p. 12-13. Later in dezelfde zin bijv.: Kamerstukken I 2011/12, 33000 VII, C.
Vgl. aanwijzing 2.2 van de Aanwijzingen voor de regelgeving: ‘Tot het tot stand brengen van een regeling wordt alleen besloten indien de noodzaak daarvan is komen vast te staan.’
Onderdeel A.5 van de Slotverklaring van de Miniconferentie over de toekomstige staatkundige positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 10 en 11 oktober 2006 (opgenomen als bijlage bij Kamerstukken II 2006/07, 30800 IV, 5). In de in noot 17 genoemde nota’s n.a.v. het verslag wordt abusievelijk gesproken over het geleidelijk invoeren van Nederlands-Antilliaanse regelgeving.
Vgl. Kamerstukken II 2009/10, 31957, 6, p. 7; Kamerstukken II 2009/10, 31954, 7, p. 12-13; Kamerstukken I 2009/10, 31954, C, p. 12-13.
Nota n.a.v. het verslag aan de Tweede Kamer d.d. 13 oktober 2009 bij het wetsvoorstel IBES (Kamerstukken II 2008/09, 31957, 6, p. 9) n.a.v. vragen VVD en SGP. In dezelfde zin: Kamerstukken II 2008/09, 31956, 3, p. 13, waarin er voorts op werd gewezen dat bestuursorganen op de eilanden en lokaal overheidspersoneel ‘gewend is aan het Antilliaans bestuursrecht’.
Nota n.a.v. het verslag aan de Eerste Kamer d.d. 6 mei 2010 bij de wetsvoorstellen WolBES c.a. (Kamerstukken I 2009/10, 31954, C, p. 24-25) n.a.v. vragen D66.
Het door Ling Ket On en Verheij geschetste perspectief is (nog) niet bewaarheid geworden. Caribisch Nederland moet het nog steeds doen zonder algemene regels van bestuursrecht.1 Een belangrijke verklaring hiervoor is de in oktober 2009 aangekondigde ‘legislatieve terughoudendheid’: gedurende vijf jaar vanaf de transitiedatum (10-10-10) zouden er geen wetgevingsoperaties mogen plaatsvinden met ingrijpende effecten voor het bestuur of de burger in Caribisch Nederland.2 In deze periode zou er voor Caribisch Nederland alleen regelgeving mogen worden ingevoerd ‘als daar een duidelijke noodzaak toe is’. Dat criterium geldt op zichzelf altijd voor nieuwe wetgeving,3 maar de bedoeling was kennelijk dat er nog een extra bewijslast gold. Als voorbeelden van ‘duidelijke noodzaak’ noemde de regering herstel van omissies, verdragsimplementatie en ontwikkelingen in Curaçao en Sint Maarten met het oog op concordantie van regelgeving. Later zijn nog genoemd de gevallen waarin de Grondwet regeling vereist.4 Hiermee werd enige concretisering gegeven van de nogal vage afspraak die in de zogeheten Slotverklaring in oktober 2006 met de BES-eilanden was gemaakt dat de Nederlands-Antilliaanse regelgeving ‘geleidelijk’ zou worden vervangen door Nederlandse wetgeving.5 Ook maakte de regering duidelijk dat deze afspraak niet betekende dat alle Nederlandse regelgeving op den duur op de BES-eilanden zou worden ingevoerd.
Het doel van de legislatieve terughoudendheid was om rekening te houden met de absorptiecapaciteit op de BES-eilanden en ontwrichting van de samenleving daar te voorkomen.6 Tegelijkertijd werd hiermee de oorspronkelijke gedachte dat na een niet al te lange overgangsperiode voor Caribisch Nederland de gewone Nederlandse wetgeving zou gaan gelden, gerelativeerd.
Als reden voor de beslissing om de Awb ‘voorlopig nog niet in te voeren’ gaf de regering destijds als reden dat invoering ‘een onevenredige belasting zou vormen voor de bestuursorganen, de rechtspleging en de burgers’.7 Wat het materiële bestuursrecht betreft, wees de regering erop dat zich, net als voorheen in Nederland, in de Nederlandse Antillen in de loop van de tijd materiële bestuursrechtelijke normen hadden ontwikkeld in de rechtspraak, die in de praktijk het ongeschreven bestuursrecht vormen. Op de vraag of de regering bereid was alsnog over te gaan tot invoering van de Awb, antwoordde zij:
‘Door de gerechtelijke toets zijn de rechtzoekenden ervan verzekerd dat het ongeschreven materiële bestuursrecht stevig is verankerd in het bestuursrecht. Bovendien staat dit ongeschreven recht niet in de weg aan Awb conform handelen. Een en ander vormt een goede basis om op termijn de Awb in te voeren.’8