Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/2.3
2.3 Artikel 3 van de IBES
mr. T.C. Borman, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. T.C. Borman
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De complexiteit geldt ook enigszins voor de totstandkomingsgeschiedenis van art. 3: in eerste instantie vervat in het wetsvoorstel IBES (zie toelichting in Kamerstukken II 2008/09, 31957, 3, p. 10-12), in werking getreden op 10 oktober 2010 (Stb. 2010, 346 en 389), en kort daarna integraal herschreven via het wetsvoorstel Tweede Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire Sint Eustatius en Saba - A (zie toelichting in Kamerstukken II 2009/10, 32368, 3, p. 9-11), in werking getreden op 1 januari 2011 (Stb. 2010, 829 en 831). Er heeft dus tussen 10 oktober 2010 en 1 januari 2011 kortstondig een andersluidende regeling gegolden. In de nota n.a.v. het verslag aan de Tweede Kamer bij laatstgenoemd wetsvoorstel erkende de regering dat ‘de toepasselijkheid van verschillende delen van de Awb niet eenvoudig oogt in artikel 3’ en heeft zij de opbouw van het artikel uiteengezet: zie Kamerstukken II 2009/10, 32368, 7, p. 9.
Voor rechtseenheidsjagers levert dit nog wat extra munitie op. Zoals beschreven in punt 1, geldt voor besluiten ter uitvoering van een wettelijk voorschrift met extraterritoriale werking niet het Awb-bestuursprocesrecht, maar de WarBES. Dat heeft het wat merkwaardige gevolg heeft dat er in ons Koninkrijk sinds 10-10-10 twee hoogste rechters zijn die oordelen over bijv. de Wob, namelijk de ABRvS en het Gemeenschappelijk Hof. Dit nadeel is destijds wel door de regering onderkend, maar leverde naar haar oordeel geen gevaar op voor de rechtseenheid dankzij de mogelijkheid om leden van de Nederlandse hoogste rechtscolleges te benoemen tot plaatsvervangend lid van het Gemeenschappelijk Hof (zie Kamerstukken II 2009/10, 32368, 3, p. 10).
Het advies van de Raad van State heeft ertoe geleid dat de Awb niet integraal van toepassing is verklaard in Caribisch Nederland. Dit heeft een helaas nogal ingewikkelde regeling opgeleverd, vervat in artikel 3 IBES.1 Zij houdt het volgende in:
1. Het Awb-procesrecht (hoofdstukken 6, 7 en 8) is nooit van toepassing op bezwaar en beroep tegen een besluit dat is gericht tot een ingezetene van of rechtspersoon in Caribisch Nederland. In plaats daarvan geldt voor bezwaar en beroep tegen beschikkingen het procesrecht uit de Wet administratieve rechtspraak BES (WarBES), op grond waarvan de procedure voor de belanghebbende ‘dicht bij huis’ kan plaatsvinden: bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en in hoger beroep bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (dus niet bij Nederlandse rechtbanken, de ABRvS, de CRvB of het CBb). Dat geldt voor alle beschikkingen, ongeacht of het bestuursorgaan in Caribisch of in Europees Nederland zetelt.
2. Hoofdstuk 9 (intern en extern klachtrecht, inclusief bevoegdheid ombudsman) is vrijwel altijd juist wél van toepassing op gedragingen jegens een ingezetene van Caribisch Nederland, ongeacht of het een gedraging betreft van een bestuursorgaan in Caribisch of in Europees Nederland.
3. De materiële regels in de Awb (hoofdstukken 2 t/m 5 en 10) zijn niet van toepassing: niet op bestuursorganen in Caribisch Nederland en ook niet op bestuursorganen in Europees Nederland die handelen jegens een ingezetene van of rechtspersoon in Caribisch Nederland. Dit laatste met één uitzondering: als een bestuursorgaan in Europees Nederland handelt ter uitvoering van een wettelijk voorschrift met extraterritoriale werking (bijvoorbeeld een besluit op grond van de Wob), zijn de materiële regels van de Awb wél van toepassing.2