Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/3.4.3.5
3.4.3.5 De schade(vergoeding)
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655784:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bewust spreek ik van ‘schadevaststelling’ en niet van ‘schadevergoeding’. Vanwege het in Section 11 opgenomen loss causation-verweer hoeft het namelijk niet noodzakelijkerwijs zo te zijn dat de op grond van de wettelijke maatstaf vastgestelde schade daadwerkelijk wordt vergoed.
Zie over deze bepaling Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.5; Loss, Seligman & Paredes 2018, p. 1797-1798. Zie hierover in de Nederlandse literatuur reeds De Jong 2010, p. 90-91.
Zie voor deze heldere weergave Nederveen 2006, p. 152. Zie voor de relevante scenario’s ook Grier 1999, p. 102-107.
Ik benadruk dat het hier steeds gaat om de rechtens vergoedbare schade per gekocht effect.
Volledigheidshalve wijs ik erop dat het feit dat bij schadevaststelling op grond van Section 11 de uitgifteprijs als plafond heeft te gelden, betekent dat wanneer de eisende belegger de litigieuze effecten na de beursgang en/of emissie in de secundaire markt heeft gekocht tegen een koers die hoger lag dan de uitgifteprijs (in de after market was dus sprake van een koersstijging), de rechtens vergoedbare schade gelijk is aan het verschil tussen de uitgifteprijs en de waarde van het effect ten tijde van de date of suit.
Ik verwijs naar mijn opmerking in de vorige voetnoot over de werking van de uitgifteprijs als plafond.
Idem.
Met ‘per saldo dalen’ bedoel ik dat de koers op het tijdstip van de verkoop lager is dan de koers ten tijde van de suite date. Ik sluit dus niet uit dat de koers tussentijds ook nog stijgt. Zij stijgt over de genoemde periode alleen minder dan dat zij daalt.
Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.5[2][C].
Zie hierover Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.5[2][B].
a. De schadebegrotingsmaatstaf
Bij aansprakelijkheid uit hoofde van Section 11 is de schadevaststelling1 gebaseerd op een ingewikkelde methodiek die expliciet in de wet is vastgelegd (Section 11(e)).2 De hoogte van de rechtens vergoedbare schade is mede afhankelijk van het antwoord op de vraag of de eisende belegger de litigieuze effecten al dan niet heeft verkocht en, zo ja, op welk moment:3, 4
1. De effecten zijn op de datum uitspraak nog niet verkocht. De rechtens vergoedbare schade is gelijk aan het verschil tussen de koopprijs (met als plafond de uitgifteprijs) en de waarde van het effect op het tijdstip waarop de vordering werd ingesteld (de ‘date of suit’).5
2. De effecten zijn verkocht voordat de vordering werd ingesteld. De rechtens vergoedbare schade is gelijk aan het verschil tussen de koopprijs (met als plafond de uitgifteprijs)6 en de verkoopprijs.
3. De effecten zijn verkocht in de periode gelegen tussen het tijdstip van het instellen van de vordering en de datum uitspraak. De rechtens vergoedbare schade is gelijk aan het verschil tussen de koopprijs (met als plafond de uitgifteprijs)7 en de verkoopprijs, met dien verstande dat de schade wordt geacht niet hoger te zijn dan deze geweest zou zijn wanneer de belegger de effecten op de datum uitspraak nog niet zou hebben verkocht (zie het zojuist genoemde onderscheidingsgeval 1). Deze laatste regel impliceert dat koersdalingen ten opzichte van het koersniveau ten tijde van de date of suit niet voor vergoeding in aanmerking komen, terwijl koersstijgingen ten opzichte van het koersniveau ten tijde van de date of suit wél op de schadevergoeding in mindering worden gebracht.
Gegeven deze begrotingsmethodiek wordt de belegger ten tijde van de date of suit geconfronteerd met een nieuwe en tevens strategische beleggingsbeslissing:8 houdt hij de effecten aan of doet hij er beter aan deze tussentijds te verkopen?
De belegger besluit de effecten aan te houden. In dit scenario kan de date of suit worden gezien als een peildatum die de hoogte van de schade fixeert. Stijgt de koers ten opzichte van de koers op de date of suit, dan wordt deze koersstijging niet op het schadebedrag in mindering gebracht. Daalt de koers ten opzichte van de koers op de date of suit, dan wordt deze koersdaling evenmin in het schadebedrag meegenomen. De koersdaling die intreedt ten opzichte van de koers op de date of suit betreft dan regulier beleggingsverlies.
De belegger besluit de effecten tussentijds te verkopen. In dit scenario kan de date of suit alleen worden gezien als een peildatum die de hoogte van de schade fixeert, wanneer de koers tussen de date of suit en het tijdstip van verkoop per saldo daalt.9 Stijgt de koers over deze periode daarentegen, dan wordt de schadevergoeding door de koersstijging als het ware ‘opgegeten’.
Heeft de belegger ten tijde van de date of suit dus de verwachting dat de koers gaat stijgen, dan doet hij er verstandig aan de effecten aan te houden. Verwacht hij daarentegen dat de koers gaat dalen, dan kan hij de effecten beter zo snel mogelijk verkopen, teneinde beleggingsverlies te voorkomen.
Behoudens de schade die de benadeelde belegger op grond Section 11(e) kan vorderen, kan hij ook nog prejudgment interest (vergelijkbaar met onze wettelijke rente) vorderen.10 Het is echter niet gegarandeerd dat deze ook daadwerkelijk wordt toegekend. De rechter heeft in deze een discretionaire bevoegdheid.
b. Causaliteitsverweer
Verder is in Section 11(e) een causaliteitsverweer opgenomen (‘loss causation defense’).11 Wanneer de gedaagde kan bewijzen dat de (via de wettelijke maatstaf vastgestelde) schade geheel of gedeeltelijk is terug te voeren op andere oorzaken dan de misleidende informatie in de registration statement, wordt de schadevergoeding dienovereenkomstig verminderd.