Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/3.4.3.4
3.4.3.4 Verweren
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655716:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over dit verweer Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.3[4]; Loss, Seligman & Paredes 2018, p. 1787. Zie hierover in de Nederlandse literatuur reeds De Jong 2010, p. 89. Hoewel Section 11 in beginsel geen reliance-eis kent, zou dit verweer niettemin als een reliance-verweer kunnen worden opgevat.
Het verweer dat de belegger op het moment van aankoop van de litigieuze effecten met de misleiding bekend had kunnen zijn, zou ook kunnen worden opgevat als een due diligence-verweer. Ik benadruk dat het hierbij gaat om een due diligence-verweer dat in de sleutel staat van Section 11(a), te onderscheiden van het hierna te bespreken due diligence-verweer dat de gedaagde kan voeren in het kader van Section 11(b)(3). Zie over het due diligence-verweer van Section 11(a) onder meer de uitspraak APA Excelsior III L.P. v. Premiere Technologies, Inc., 476 F.3d 1261, 1277 (11th Cir. 2007).
Zie in dit verband echter ook de uitspraken N.J. Carpenters Health Fund v. RALI Series 2006-Q1 Trust, 477 Fed. Appx. 809, 813-814 (2d Cir. 2012); In re Initial Public Offering Securities Litigation, 471 F.3d 24, 43-44 (2d Cir. 2006); In re Kosmos Energy Ltd. Securities Litigation, 299 F.R.D. 133, 150-154 (N.D. Tex. 2014). In deze zaken wist de aansprakelijk gestelde vennootschap met succes het verweer te voeren dat vanwege het feit dat bepaalde individuele beleggers mogelijk met de misleiding bekend waren toen zij de litigieuze effecten kochten, niet was voldaan aan de class certification-voorwaarde dat ‘common questions predominate over individual questions’. Het verzoek tot class certification werd om deze reden niet gehonoreerd. In de zaak Fort Worth Employees’ Retirement Fund v. J.P. Morgan Chase & Co., 301 F.R.D. 116, 138-140 (S.D.N.Y. 2014) werd een soortgelijk verweer van de gedaagde echter afgewezen en werd het verzoek tot class certification wel toegekend.
Choi & Pritchard 2019, p. 594. Aldus ook De Jong 2010, p. 89-90.
Het verweer zou ook als een zogenoemd ‘truth-on-the-market-defense’ kunnen worden opgevat. De bekendmaking van de misleiding wordt dan gezien als de ‘truth’ waarmee de eerdere misleiding wordt weggenomen. Zie over het truth-on-the-market-verweer § 6.2.3.2 sub b.
Choi & Pritchard 2019, p. 594. Aldus ook De Jong 2010, p. 89-90.
Volledigheidshalve merk ik op dat de uitgevende instelling ook nog een verjaringsverweer kan voeren. De verjaringsregeling voor vorderingen uit hoofde van Section 11 en Section 12(a)(2) is opgenomen in Section 13 Securities Act. Zie over deze regeling uitgebreid Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.3[9] en § 7.10.
Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.4.
De andere aansprakelijk gestelde partijen kunnen evenals de uitgevende instelling uiteraard ook een verjaringsverweer voeren.
Zie voor deze onderverdeling Vizcarrondo & Wilson 2016, p. 40.
Vgl. Vizcarrondo & Wilson 2016, p. 40-41.
Vgl. Nederveen 2006, p. 148-149.
Vgl. Nederveen 2006, p. 145.
Zie Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.4[2]-[3].
Escott v. BarCrhis Constr. Corp. 283 F. Supp. 643 (S.D.N.Y. 1968).
Feit v. Leasco Data Processing Equip. Corp., 332 F. Supp. 544 (E.D. N.Y. 1971).
In re WorldCom, Inc. Securities Litigation, 346 F. Supp. 2d 628 (S. D.N.Y. 2004).
Zie in dit verband ook het schema van Choi & Pritchard 2019, p. 596.
Een voor de hand liggend verweer dat de gedaagde in het kader van Section 11 kan voeren, is dat de belegger op het moment van zijn aankoop met de misleiding bekend was1 (of daarmee in ieder geval bekend had kunnen zijn).2 De belegger die met de misleiding bekend was, is hierdoor immers niet op het verkeerde been gezet en heeft derhalve geen recht op schadevergoeding. De wijze waarop dit verweer in de praktijk gestalte krijgt, is doorgaans niet dat de gedaagde voor een individuele belegger probeert te bewijzen dat hij van de misleiding op de hoogte was (terwijl de rest van de markt dat nog niet was).3 De meest voorkomende wijze waarop dit verweer wordt gevoerd, is daarentegen dat de gedaagde aanvoert dat de gehele markt van de misleiding op de hoogte was, of althans, daarvan op de hoogte had moeten zijn, nadat de uitgevende instelling (of een andere partij) de misleiding publiekelijk bekend heeft gemaakt.4 De gedachte is dat na de bekendwording van de misleiding de markt niet langer wordt misleid, zodat geen aansprakelijkheid kan bestaan jegens de beleggers die hun effecten nadien hebben gekocht.5 Men zou ook kunnen zeggen dat na het bekend worden van de misleiding niet langer is voldaan aan het vereiste van materiality, omdat de corrigerende informatie inmiddels deel is gaan uitmaken van de totale mix van beschikbare informatie.6
Het verweer dat de belegger met de misleiding bekend was, is in beginsel het enige verweer dat de uitgevende instelling ten dienste staat.7 Afgezien van dit verweer is voor de uitgevende instelling sprake van een – wat wij zouden noemen – risicoaansprakelijkheid.8 Voor andere aansprakelijke personen of rechtspersonen dan de uitgevende instelling zijn in Section 11(b) nog drie additionele verweren opgenomen.9 De eerste twee verweren van Section 11(b) betreffen een klokkenluidersregeling.10 Deze laat ik hier verder onbesproken. Het derde verweer, tevens het verweer dat in de praktijk het meest wordt gevoerd, is het zogenoemde ‘due diligence’-verweer.11 Op het eerste gezicht steekt dit verweer nogal ingewikkeld in elkaar. Dat komt doordat de wijze waarop het verweer in concreto dient te worden gevoerd, steeds afhankelijk is van (i) het gedeelte van de registration statement dat misleidend is en waarop de vordering tot schadevergoeding betrekking heeft en (ii) de hoedanigheid van de aansprakelijk gestelde persoon of rechtspersoon. Meer specifiek gaat het bij het tweede element om de vraag of deze persoon of rechtspersoon al dan niet als ‘expert’ kan worden aangemerkt in de zin van Section 11. Ik zal het due diligence-verweer hier kort bespreken.
In Section 11(b)(3) wordt ervan uitgegaan dat de registration statement in drie verschillende delen kan worden opgesplitst: (i) het gedeelte waarin de mededelingen zijn opgenomen afkomstig van officiële personen of officiële instanties; (ii) het gedeelte bestaande uit de mededelingen, rapporten en/of waarderingen van experts; en (iii) het overige gedeelte (dit gedeelte beslaat in de meeste gevallen overigens verreweg het grootste deel van de registration statement).12 In de regeling wordt vervolgens een opsomming gegeven van de verweren die experts respectievelijk niet-experts kunnen voeren met betrekking tot de verschillende delen van de registration statement.
a. Experts
Voor het gedeelte van de registration statement waarin in hun eigen mededelingen, rapporten en/of waarderingen zijn opgenomen, kunnen experts ofwel aanvoeren dat (i) zij na een redelijk onderzoek gedaan te hebben, redelijke grond hadden aan te nemen, en ook daadwerkelijk aannamen, dat deze mededelingen, rapporten en/of waarderingen geen onjuiste en/of onvolledige informatie bevatten, dan wel (ii) deze mededelingen, rapporten en/of waarderingen niet op de juiste wijze in de registration statement zijn weergegeven. Experts zijn echter niet aansprakelijk voor de gedeeltes van de registration statement die zij niet hebben samengesteld en/of ondertekend en waar zij ook overigens geen bemoeienis mee hebben gehad.
b. Niet-experts
Voor het gedeelte van de registration statement dat de mededelingen bevat afkomstig van officiële personen of officiële instanties en het gedeelte dat bestaat uit de mededelingen, rapporten en/of waarderingen van experts, kunnen niet-experts aanvoeren dat zij geen redelijke grond hadden om te nemen en ook niet aannamen dat deze mededelingen, rapporten en/of waarderingen onjuiste en/of onvolledige informatie bevatten, dan wel dat deze mededelingen, rapporten en/of waarderingen op verkeerde wijze in de registration statement zijn weergegeven. Niet-experts mogen – getuige dit verweer – tot op zekere hoogte dus vertrouwen op de mededelingen van experts en op de mededelingen afkomstig van officiële personen of instanties.13 Voor het overige gedeelte van de registration statement kunnen niet-experts zich disculperen door aan te tonen dat zij na een redelijk onderzoek gedaan te hebben, redelijke grond hadden aan te nemen, en ook daadwerkelijk aannamen, dat dit gedeelte geen onjuiste en/of onvolledige informatie bevatte. Gelet op de positieve formulering van het laatstgenoemde verweer (‘redelijke grond aan te nemen dat dit gedeelte geen onjuiste en/of onvolledige informatie bevatte’ in plaats van ‘geen redelijke grond aan te nemen dat dit gedeelte onjuiste en/of onvolledige informatie bevatte’), ligt de lat om zich succesvol te kunnen disculperen voor niet-experts dus net iets hoger wanneer zij aansprakelijk worden gesteld voor het overige gedeelte van de registration statement, dan wanneer zij aansprakelijk worden gesteld voor de zojuist genoemde gedeeltes (i) en (ii).14
In Section 11(c) is vervolgens bepaald dat het zojuist genoemde ‘redelijke onderzoek’ en de zojuist genoemde ‘redelijke grond aan te nemen’ moeten worden afgemeten aan de ‘prudent man in the management of his own property’, kort gezegd de goede huisvader.15 Deze norm geldt zowel voor experts als voor niet-experts. Het betreft hier een nogal open norm die op zichzelf bezien weinig duidelijkheid verschaft.16 Zo is hieruit niet af te leiden aan welke eisen een due diligence-onderzoek precies moet voldoen om te kunnen worden aangemerkt als ‘reasonable’ in de zin van Section 11(b)(3). Wel is de norm in de loop der jaren door de SEC en in de rechtspraak nader uitgewerkt en is langs die weg alsnog enige duidelijkheid verschaft.17 De belangrijkste rechterlijke uitspraken waarin richtlijnen (of misschien beter gezegd: gezichtspunten) zijn geformuleerd om te kunnen beoordelen of aan de eis van ‘reasonableness’ is voldaan, zijn nog altijd Escott v. BarChris uit 1968 van de Southern District Court of New York18 en Feit v. Leasco uit 1971 van de Eastern District Court of New York.19 Van iets recentere datum is de uitspraak In re WorldCom Inc. Securities Litigation20 van de Southern District Court of New York. Ik laat deze uitspraken hier verder onbesproken.21
Schematisch kan het due diligence-verweer van Section 11(b)(3) als volgt worden weergegeven.22
Expert gedeelte
‘Officiële’ gedeelte
Overige gedeelte
Expert
1. Dubbele redelijkheidstoets;
2. Mededeling, rapport of waardering niet goed weergegeven
Niet aansprakelijk
Niet aansprakelijk
Niet-expert
Enkele redelijkheidstoets
Enkele redelijkheidstoets
Dubbele redelijkheidstoets