Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/15.2
15.2 Routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS458213:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kaderbesluit 2009/299/JBZ van 26 februari 2009 tot wijziging van Kaderbesluit 2002/ 584/JBZ, Kaderbesluit 2005/214/JBZ, Kaderbesluit 2006/783/JBZ, Kaderbesluit 2008/909/ JBZ en Kaderbesluit 2008/947/JBZ en tot versterking van de procedurele rechten van personen, tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces, PbEU 2009, L 81/24.
Resolutie van de Raad van 30 november 2009, PbEU 2009, C 295/1.
Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures, PbEU 2010, L280/1.
Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures, PbEU 2012, L142/1.
Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming, PbEU 2013, L294/1.
Richtlijn (EU) 2016/343 het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, PbEU 2016, L65/1.
Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende voorlopige rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden wie de vrijheid is ontnomen en rechtsbijstand in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, COM(2013) 824 final.
Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure, COM(2013) 822 def.
In punt 10 van de toelichting in het voorstel is te lezen dat de Commissie er vooralsnog van af ziet om het toepassingsgebied van de voorgestelde richtlijn uit te breiden tot kwetsbare volwassenen omdat van dat begrip een gemeenschappelijke omschrijving ontbreekt en uit overwegingen van subsidiariteit en evenredigheid.
Zoals hiervoor duidelijk werd, maakt het voornemen om in EU-verband een aantal procedurele waarborgen vast te stellen al vanaf het Tampere-programma deel uit van het JBZ-beleid. Wel is het zo dat de nadruk in de loop der jaren meer op die procedurele waarborgen is gaan liggen. Zij worden (steeds nadrukkelijker) gezien als noodzakelijk tegenwicht aan de vergaande samenwerking op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning. Met een dergelijk stelsel van minimumwaarborgen zou het interstatelijk vertrouwen kunnen worden vergroot, zo is de gedachte.
Een eerste beweging in de richting van harmonisering van procedurele waarborgen bij strafrechtelijke samenwerking (maar niet per se van versterking van de positie van de verdachte) vormde het Kaderbesluit verstekzaken.1 Dat introduceerde zelf geen rechtshulpinstrument, maar wijzigde andere kaderbesluiten met het oog op uniformering van de verschillende andere instrumenten op basis van het beginsel van wederzijdse erkenning wanneer het gaat om beslissingen gewezen ten aanzien van personen die niet zijn verschenen tijdens het proces. In grote lijnen komt het erop neer dat Kaderbesluit verstekzaken de verschillende weigeringsgronden met betrekking tot verstekzaken uniformeert en beperkt, en bepaalt dat die niet langer kunnen worden ingeroepen wanneer sprake is van dagvaarding in persoon, de verdachte is vertegenwoordigd door een gemachtigde raadsman of wanneer het verstekvonnis is medegedeeld en daarna een recht op verzet of hoger beroep bestaat of heeft bestaan. Daardoor, zo is de gedachte, ontstaan er minder misverstanden bij de strafrechtelijke samenwerking en zal die samenwerking vlotter verlopen.
Daags voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon heeft de Raad een resolutie aangenomen over een routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures.2 Daarin verzoekt de Raad de Commissie om met voorstellen te komen voor in de bijlage bij de resolutie (de “routekaart’) opgesomde maatregelen (A-E) en te overwegen met een groenboek over voorlopige hechtenis (Maatregel F) te komen. Een aantal onderdelen uit de routekaart is inmiddels geconcretiseerd. Zo is een richtlijn vastgesteld betreffende het recht op vertaling en vertolking in strafprocedures (maatregel A uit de routekaart).3 Datzelfde geldt voor het recht op informatie in strafprocedures (maatregel B uit de routekaart).4 In richtlijn 2013/48/EU5 is een deel van maatregel C uit de routekaart (het recht op juridisch advies en rechtsbijstand) neergelegd, te weten het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en procedures in het kader van het Europees aanhoudingsbevel. Ook is met die richtlijn uitvoering gegeven aan maatregel D uit de routekaart (het recht op communicatie met familie, werkgever en consulaire autoriteiten). Ook is inmiddels een richtlijn vastgesteld betreffende het vermoeden van onschuld en het aanwezigheidsrecht.6 Het recht op gefinancierde rechtsbijstand, onderdeel van maatregel C uit de routekaart, moet nog worden neergelegd in regelgeving. Daarover is door de Commissie een voorstel voor een richtlijn gepubliceerd.7 Een ander voorstel van de Commissie, voor een richtlijn betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure, beoogt maatregel E uit de routekaart (bijzondere waarborgen voor kwetsbare verdachten of beklaagden) uit te voeren,8 althans ten dele.9 Eenmaal geïmplementeerd bieden deze richtlijnen de burger rechtstreeks afdwingbare procedurele waarborgen. Dat zou het vertrouwen dat de lidstaten in elkaar hebben moeten verhogen, in elk geval wanneer het om onderwerpen gaat die onder deze regelingen vallen. In het navolgende worden deze maatregel nader besproken.
15.2.1 Recht op vertolking en vertaling15.2.2 Recht op informatie in strafprocedures15.2.3 Recht op toegang tot een advocaat15.2.4 Vermoeden van onschuld en aanwezigheidsrecht15.2.5 Overige voorgestelde maatregelen