Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/437
437 Stone’s invloed op Rogers v. Hill
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS371448:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Vlak nadat de Supreme Court in Guaranty Trust Co.in het voordeel van American Tobacco had besloten, probeerde de board alsnog goedkeuring te vragen voor de oude bezoldigingspraktijken. De goedkeuring werd in april 1933 bemachtigd, maar een stuk minder gemakkelijk dan verwacht.
Rogers v. Hill (Hill III), 289, U.S. 582, May 29, (1933). Naast Hill (president), stonden tevens drie vice-presidenten in de beklaagdenbank: Neiley, Riggio en Taylor.
Zie over de business judgment rule de dissertatie van Assink: Assink 2007.
“As the amounts payable depend upon the gains of the business, the specified percentages are not per se unreasonable.” Rogers v. Hill (Hill III), 289, U.S. 582, May 29, (1933), 591.
Rogers v. Hill (Hill III), 289, U.S. 582, May 29, (1933) 591/592 onder verwijzing naar Booth v. Beattie, 95 N.J.Eq. 776, 118 A. 257, 123 A. 925; Scott v. P. Lorillard Co., 108 N.J.Eq. 153, 156, 154 A. 515, affirmed 109 N.J.Eq. 417, 157 A. 388; Nichols v. Olympic Veneer Company, 139 Wash. 305, 311, 246 P. 941, 48 A.L.R. 504; Collins v. Hite, 109 W.Va. 79, 84, 153 S.E. 240; Putnam v. Juvenile Shoe Corporation, 307 Mo. 74, 91 et seq., 269 S.W. 593, 40 A.L.R. 1412; Stratis v. Andreson, 254 Mass. 536, 539, 150 N.E. 832, 44 A.L.R. 567; Lillard v. Oil, Paint & Drug Co., 70 N.J.Eq. 197, 206-209, 56 A. 254, 58 A. 188; Wight v. Heublein (C.C.A.) 238 F. 321, 324; Seitz v. Union Brass & Metal Mfg. Co., 152 Minn. 460, 464, 189 N.W. 586, 27 A.L.R. 293; Sotter v. Coatesville Boiler Works, 257 Pa. 411, 422, 423, 101 A. 744.
Rogers v. Hill is wel in overeenstemming met eerdere rechtszaken waarin alleen werd toegekomen aan de beoordeling van de bezoldiging van bestuurders indien er sprake was van ‘oppression, fraud or self-dealing’. Bij Rogers v. Hill lijkt ‘self-dealing’ de grondslag te zijn. Zo hebben de zaken die in Rogers v. Hill worden geciteerd bijna allemaal te maken met ‘self-dealing’ in besloten vennootschappen. Wight v. Heublein, 238 F. 321, 322–23 (4th Cir. 1916) (claim benadeling van minderheidsaandeelhouders); Stratis v. Andreson, 150 N.E. 832, 832–33 (Mass. 1926) (director/officers die hun eigen bezoldiging vaststellen); Seitz v. Union Brass & Metal Mfg. Co., 189 N.W. 586, 586–87 (Minn. 1922) (minderheidsaandeelhouder); Putnam v. Juvenile Shoe Corp., 269 S.W. 593, 593 (Mo. 1925) (dominerende director/officer); Booth v. Beattie, 118 A. 257, 258 (N.J. Ch. 1922) (‘self-dealing’ door een director); Lillard v. Oil Paint & Drug Co., 56 A. 254, 255, 258 (N.J. Ch. 1903) (controlerende aandeelhouder die zijn eigen salaris vaststelt); Sotter v. Coatesville Boiler Works, 101 A. 744, 744-45 (Pa. 1917) (meerderheidsaandeelhouder die zijn eigen salaris vaststelt); Nichols v. Olympia Veneer Co., 246 P. 941, 941–42 (Wash. 1926) (beweerde benadeling van de minderheid bij een coöperatie); Collins v. Hite, 153 S.E. 240, 240 (W. Va. 1930) (controlerende aandeelhouder). De uitzondering is Scott v. P. Lorillard Co., 154 A. 515, 515 (N.J. Ch. 1931). Zie tevens Wells 2010, p. 726, noot 216.
Zie over een verplichting om telkens te toetsen of de vennootschap gehouden is tot uitkering over te gaan (ondanks bijvoorbeeld een ogenschijnlijke verplichting daartoe op grond een overeenkomst) het nog te bespreken Hof Amsterdam (OK) 2 september 2004, JOR 2004/271 m.nt. M. Brink (Getronics).
Swan schreef immers dat de bezoldiging “In my opinion […] is presumptively so much beyond fair compensation for services as to make a prima facie showing that the corporation is giving away money.”
Wells 2010, p. 727.
Wells 2010, 727.
Opmerkelijk genoeg ontving de aandeelhouder die achter de rechtszaken zat $500.000. Dit bedrag kwam niet uit de zakken van de commissarissen of bestuurders, maar van American Tobacco. Daarnaast is vermeldenswaardig dat in 1940 een aandeelhouder getracht heeft om een plafond en andere beperkingen in te stellen ten aanzien van de bezoldiging van bestuurders. In de algemene vergadering sneuvelden deze plannen, mede omdat het bestuur door middel van volmachten beschikte over het overgrote deel van de stemmen. De president, die niet aanwezig was bij de algemene vergadering, had vooraf in een brief laten weten dat het bestuur ontslag zou nemen als de beperkingen doorgevoerd zouden worden. Washington 1941, p. 745. Het bestuur en de commissarissen van American Tobacco zouden echter nog meer rechtszaken over hun bezoldiging moeten voeren. Zie Heller v. Boylan. Deze rechtszaak wordt nader besproken in randnummer 445.
Hoewel in Rogers v. Guaranty Trust Co. de rechters Stone en Brandeis aan het kortste eind trekken, is de dissidente opinie van Stone van overweldigende invloed geweest.1 Vier maanden na Guaranty Trust Co. oordeelt de Supreme Court over de bezoldiging van de president van American Tobacco, George T. Hill.2 Ondanks de groei die de onderneming in de afgelopen jaren heeft doorgemaakt en de daarmee samenhangende hogere winsten die behaald worden, heeft de board verzuimd de bepaling uit 1912, op grond waarvan de omvang van de bonussen berekend worden, tussentijds aan te passen. Rogers is van mening dat de bepaling ongeldig is en dat, zelfs als de bepaling geldig is, de bedragen die uitgekeerd zijn zo onredelijk hoog zijn dat ze alleen op grond daarvan al onderwerp van beoordeling door de rechter moeten zijn en dus niet onder de business judgment rule behoren te vallen.3
De klacht van Rogers met betrekking tot de ongeldigheid van de statutaire bepaling, wordt door de Supreme Court verworpen. Opzienbarend zijn echter de – unaniem gedragen – overwegingen van de Supreme Court ten aanzien van de vraag of de betalingen door de onderneming op grond van de statuten vanaf de jaren ’21 – toen de onderneming en de nettowinst in omvang waren toegenomen – aangemerkt kunnen worden als ‘waste’ en een nauwgezette beoordeling door de rechter toelaten.
De Supreme Court overweegt weliswaar, dat aangezien de hoogte van de bedragen afhangen van de inkomsten van de onderneming, de specifieke percentages niet per se onredelijk zijn of aanleiding geven tot het vermoeden van fraude.4 Maar rechter Butler, die ook deze uitspraak geschreven heeft, gaat verder:
“While the amounts produced by the application of the prescribed percentages give rise to no inference of actual or constructive fraud, the payments under the by-law have by reason of increase of profits become so large as to warrant investigation in equity in the interest of the company. Much weight is to be given to the action of the stockholders, and the by-law is supported by the presumption of regularity and continuity. But the rule prescribed by it cannot, against the protest of a shareholder, be used to justify payments of sums as salaries so large as in substance and effect to amount to spoliation or waste of corporate property. The dissenting opinion of Judge Swan indicates the applicable rule: ’If a bonus payment has no relation to the value of services for which it is given, it is in reality a gift in part, and the majority stockholders have no power to give away corporate property against the protest of the minority.’ […] The facts alleged by plaintiff are sufficient to require that the District Court, upon a consideration of all the relevant facts brought forward by the parties, determine whether and to what extent payments to the individual defendants under the by-laws constitute misuse and waste of the money of the corporation.”5 [cursief ECHJL]
Rogers v. Hill zorgt voor een schokgolf binnen het ondernemingsrechtelijk landschap. Rogers v. Hill opent de deuren voor aandeelhouders en andere belanghebbenden om excessieve bezoldiging van bestuurders te laten beoordelen door de rechter.6 Duidelijk wordt gemaakt dat directors zich niet kunnen verschuilen achter een bepaling in de by-laws als het aankomt op de bezoldiging van bestuurders. Telkens dient gekeken te worden of de bezoldiging (nog) in verhouding staat tot de geleverde diensten.7
Rogers v. Hill laat ook veel vragen onbeantwoord. Door de verwijzing naar de opinie van Swan rijst de gedachte dat de Supreme Court van mening is dat een bezoldiging vanwege haar omvang kan worden aangemerkt als ‘waste’.8 Of er daadwerkelijk sprake is van ‘waste’ laat de Supreme Court over aan de District Court. Daarnaast is er sprake van een aparte casus: bonussen die worden gedistribueerd op basis van een bijna twintig jaar oude statutaire bepaling die overduidelijk niet meer in lijn ligt met haar oorspronkelijke doel. Zou de Supreme Court tot eenzelfde uitkomst zijn gekomen indien de omvang van de bezoldiging op een andere manier zou zijn vastgesteld? En als een rechter de bezoldiging als onredelijk zou bestempelen, hoe dient dan te worden bepaald wat wel redelijk is?9
De District Court heeft zich uiteindelijk nooit over de kwestie uit kunnen spreken. Na de uitspraak van de Supreme Court kiezen de bestuurders van American Tobacco eieren voor hun geld en treffen zij een schikking. George Hill had na Rogers v. Guaranty Trust Co reeds afstand gedaan van zijn aanspraak op de aandelen via het werknemersplan. Na Rogers v. Hill wijzigt American Tobacco de formule waarmee de bonussen worden berekend, waardoor zij drastisch verminderen.10 De bestuurders worden niet verplicht om een deel van de door hen reeds ontvangen bezoldiging te restitueren. Zij kunnen volstaan met de belofte, dat zij in de toekomst genoegen zullen nemen met minder.11