Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/434
434 De dissenting opinion van swan: unreasonable is unlawful
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS372670:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie Rogers v. Guaranty Trust Co., 60 F.2d, 115, Second Circuit, 1932; Rogers v. Hill, 60 F.2d 109, 110, Second Circuit, 1932.
Rogers v. Hill, 60 F.2d 113/114, Second Circuit, 1932 onder verwijzing naar Endicott v. Marvel, 81 N. J. Eq. 378, 384, 87 A. 230; Collins v. Hite, 109 W. Va. 79, 153 S. E. 240.
Zie in dit kader het nog te bespreken Hof Amsterdam (OK) 2 september 2004, JOR 2004/ 271 m.nt. M. Brink (Getronics).
Rogers v. Hill, 60 F.2d 113/114, Second Circuit, 1932 onder verwijzing naar Sotter v. Coatesville Boiler Works, 257 Pa. 411, 101 A. 744; Collins v. Hite, 109 W. Va. 79, 153 S. E. 240; Wight v. Heublein, 238 F. 321 (C. C. A. 4); Nichols v. Olympia Veneer Co., 139 Wash. 305, 246 P. 941, 48 A. L. R. 504; McKey v. Swenson, 232 Mich. 505, 205 N. W. 583, 586; Lowman v. Harvey R. Pierce Co., 276 Pa. 382, 120 A. 404; Scott v. P. Lorillard Co., 108 N. J. Eq. 153, 154 A. 515, 109 N. J. Eq. 417, 157 A. 388; Berendt v. Bethlehem Steel Corp., 108 N. J. Eq. 148, 154 A. 321; Stratis v. Andreson, 254 Mass. 536, 150 N. E. 832, 44 A. L. R. 567 Ransome Concrete Machinery Co. v. Moody, 282 F. 29, 32 (C. C. A. 2); Church v. Harnit, 35 F. (2d) 499, 502 (C. C. A. 6); Booth v. Beattie, 95 N. J. Eq. 776, 118 A. 257, 95 N. J. Eq. 776, 123 A. 925; Putnam v. Juvenile Shoe Corp., 307 Mo. 74, 269 S. W. 593, 40 A. L. R. 1412.
Rechter Manton werd ervan verdacht een omvangrijke ‘lening’ van $250.000 gekregen te hebben die via diverse kanalen afkomstig was van American Tobacco. De omkoping kwam pas aan het licht in 1939. In datzelfde jaar werd rechter Martin Manton veroordeeld voor verschillende omkopingszaken. De assistent van de president van American Tobacco, die men verdenkt van het uitvoeren van de omkoping, ontving enige tijd na de gunstige uitspraken promotie en kreeg de functie van vice-president binnen het bedrijf. Zie Lundberg 1969, p. 135.
Zie Heller v. Boylan, 29 N.Y.S.2d 653, 664 (N.Y. Misc. (Sup. Ct.) 1941) voor een overzicht van de verschillende rechtsgangen.
Op lager niveau worden beide zaken in het voordeel van American Tobacco beslecht in opinies geschreven door rechter Martin Manton van het Second Circuit.1 Interessant is echter de dissidente opinie van rechter Swan bij Rogers v. Hill. Hij schrijft daarin, dat uit het feit dat de bepaling uit 1912 – waarop de toekenning van de bonussen is gestoeld – op dat moment wellicht geldig is aangenomen, niet volgt dat deze bepaling te allen tijde geldig blijft, onafhankelijk van het bedrag dat wordt uitgekeerd. Als de uitkering van een bonus immers geschiedt zonder dat er een relatie bestaat tussen de bonus en de waarde van de diensten waarvoor de bonus wordt gegeven, dan is er in feite sprake van een gift. De meerderheid van de aandeelhouders heeft niet de bevoegdheid goederen van de onderneming weg te geven onder protest van een minderheid, aldus Swan.2 Bonusbetalingen die aangemerkt kunnen worden als een gift kunnen derhalve niet worden gerechtvaardigd op grond van een bepaling die aangenomen is door de meerderheid van de aandeelhouders.3 Swan schrijft vervolgens:
“In my opinion a bonus of $840,000 to an officer receiving a fixed salary of $168,000 is presumptively so much beyond fair compensation for services as to make a prima facie showing that the corporation is giving away money, and a by-law which sanctions this is prima facie unreasonable, and hence unlawful. This is all we need to hold to support the injunction pendente lite.” [cursief ECHJL]
Daarbij merkt Swan op dat het vaststellen van een eerlijke bezoldiging voor de diensten van een bestuurder in beginsel ligt bij de directors. Rechtbanken zijn geneigd niet te oordelen over een op juiste wijze toegepaste discretionaire bevoegdheid van directors. In het onderhavige geval hebben de directors echter geen gebruik gemaakt van hun discretionaire bevoegdheid, maar verwijzen zij naar de desbetreffende bepaling “to relieve them of that duty”. Onder zulke omstandigheden dient een rechtbank de beoordeling of het bonusplan eerlijk of onrechtvaardig is, niet te weigeren.4
Ondanks de krachtige dissidente opinie van rechter Swan worden Rogers en consorten niet ontvankelijk verklaard in hun vordering. Saillant detail is dat de rechter die het vonnis geschreven heeft – rechter Manton – later wordt veroordeeld wegens omkoping door American Tobacco in ruil voor een gunstige uitspraak.5 In beide zaken gaan Rogers en de andere aandeelhouders (uiteindelijk) in beroep bij de United States Supreme Court.6