Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.3.1.1
5.3.1.1 Regel- en rechtenconceptie van legaliteit
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715477:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Altena 2016, p. 47; Cleiren 2006, p. 240-242; Van Klink 2001, p. 703; Rozemond 1999, p. 118; Dworkin 1985, p. 11-12.
Vgl. Nan 2011, p. 99; Groenhuijsen & Van der Landen 1990, p. 27. Dat hoeft materieel overigens niet per definitie tot minder vrijheden te leiden dan in een liberaal strafrecht, zolang democratisch aangenomen regels de liberale rechten van individuen respecteren (vgl. Groenhuijsen & Van der Landen 1990, p. 27). Het evenwicht tussen individuele belangen en gemeenschapsbelangen moet in een communitaristisch strafrecht worden gevonden in de gemeenschappelijke politieke arena. In vergelijkbare zin zijn ook de regelconceptie en rechtenconceptie van legaliteit met elkaar verenigbaar (Rozemond 1999, p. 119). Groenhuijsen en Van der Landen merken terecht op dat deze procedurele benadering inhoudelijk uiteraard geen enkele garantie voor de bescherming van individuele vrijheden biedt.
Groenhuijsen & Van der Landen 1990, p. 12. Vgl. Schreiber 1976, p. 218. Rozemond is kritisch over deze invulling van de regelconceptie van het legaliteitsbeginsel, onder meer omdat het in de praktijk lastig is om de wil van de wetgever te achterhalen (Rozemond 1999, p. 120-121). Het idee dat de wetgever tot in detail vooraf kan vastleggen hoe de wet moet worden uitgelegd, dat het OM in alle gevallen moet vervolgen en de exact op te leggen straf kan bepalen, is inmiddels dan ook verlaten (Nieboer 1991, p. 31-32). Dat volledige binding van de rechter aan de wet praktisch onhaalbaar is, doet er echter niets aan af dat dat volgens sommige auteurs principieel wel het na te streven doel moet zijn. Daarover ook, in iets minder positieve bewoording: Van Klink 2001, p. 700.
Krey 1983, p. 85.
Vgl. Schreiber 1979, p. 193. Zie ook: Groenhuijsen & Van der Landen 1990, p. 11-12. Roxin wijst erop dat de vroeg 17e-eeuwse en 18e-eeuwse codificatiedenkers niet zozeer bezig waren met de bescherming van de burger tegen de willekeur van de staat, maar heldere wetgeving vooral noodzakelijk achtten om de heersende, verlichte absolute vorsten hun wil op te kunnen laten leggen aan de rechter (Roxin 1997, p. 99). Zie ook: Krey 1983, p. 6, 15-16, 42, 57-58, 74-75 en 85-88. De democratische gedachte is pas later – in de 19e eeuw – met het legaliteitsbeginsel verweven geraakt (Krey 1983, p. 22).
Dupont 1979, p. 52-53. Zie ook: Groenhuijsen 2002, p. 25.
Strikt legisme en wetspositivisme zijn gelet op het hiernavolgende geen voorwaarden voor een communitaristisch strafrecht, maar veel meer een politieke keuze. Zie ook: Altena 2016, p. 34; Groenhuijsen 1996, p. 99-100; Schreiber 1976, p. 154-155.
Dworkin 1985, p. 16.
Altena 2016, p. 35; Groenhuijsen 1996, p. 96; Schreiber 1976, p. 125-126 en 155. Het adagium nullum crimen sine lege wordt door sommige auteurs bijvoorbeeld zelfs zo ingevuld dat er geen strafbaar feit kan zijn dat niet strafbaar is, of die strafbaarheid nu berust op geschreven of op ongeschreven recht (Schreiber 1976, p. 154).
Kristen 2011, p. 326; Borgers 2008, p. 198; Schneider 1976, p. 225.
Vgl. Rozemond 1999, p. 121-122; De Jong 1999a, p. 688.
Rozemond 1999, p. 129-130. Dat illustreren de voorbeelden waarin Rozemond pleit voor een ruime interpretatie: de straffeloosheid van verkrachting van geestelijk gehandicapten, verkrachting binnen het huwelijk, verkrachting van stiefkinderen en mishandeling van eigen kinderen (Rozemond 1999, p. 125-129). Vanuit liberaal oogpunt is dat ondenkbaar, maar vanuit het communitaristische oogpunt van de bescherming van de rechten van slachtoffers valt daar wel iets voor te zeggen.
De Jong 1999a, p. 688.
Zie §5.3.1.3.
Deze benadering hoeft overigens niet altijd tot een uitbreiding van het toepassingsbereik van het strafrecht te leiden, maar kan ook inperkend werken. Zo hoeft de samenleving niet alle gedragingen die formeel strafbaar zijn als onrechtmatig te bestempelen (Groenhuijsen 1987, p. 57). De bestraffing van dergelijke (formeel strafbare) gedragingen kan dan achterwege blijven en de daadwerkelijke rechtshandhaving kan beperkt blijven tot wél onrechtmatige feiten. Groenhuijsen vat dat standpunt treffend samen in de stelling dat politie en justitie niet aan wetshandhaving, maar aan rechtshandhaving moeten doen (Groenhuijsen 1987, p. 57). Op het eerste gezicht lijkt dat een pleidooi voor een verbreding van de taak van de politie (het recht is immers breder dan de wet), maar blijkens de uitleg van Groenhuijsen gaat het juist om een versmalling van die taak tot de meest serieuze schendingen van de wet.
Claes 2004, p. 385.
Borgers 2008, p. 199.
Altena 2016, p. 44; Loth 1999, p. 213 en 217.
Carvalho 2017, p. 34-35; Borgers 2008, p. 199; Claes 2004, p. 400-401, 403 en 404; Hol & Gribnau 1999, p. 176; Loth 1999, p. 212. In die zin is deze vorm van rechtszekerheid ook nauw gerelateerd aan een rechtenconceptie van legaliteit. Zie: Altena 2016, p. 47 en 49; Dworkin 1985, p. 11-12.
Claes 2004, p. 403; Schreiber 1979, p. 192.
Claes 2004, p. 400-401 en 403; Groenhuijsen 1987, p. 35.
Smith 2003, p. 89.
Vgl. Hol & Gribnau 1999, p. 181-182.
Vgl. Hol & Gribnau 1999, p. 181-182.
Mulder 1987, p. 412.
Vgl. Altena 2016, p. 35; Ashworth 1991, p. 443-444; Groenhuijsen 1987, p. 34; Krey 1983, p. 33. Rozemond wijst erop dat ook het EHRM een rechtenconceptie van legaliteit hanteert en dat daarin de rechten van slachtoffers een belangrijke rol spelen (Rozemond 1999, p. 119). Ook de Hoge Raad erkent dat het in de praktijk soms nodig is om meer algemene termen te gebruiken om te voorkomen dat bepaalde schadelijke gedraging buiten het bereik van de strafbaarstelling vallen (HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7954 (Krulsla), r.o. 3.4).
Hol & Gribnau 1999, p. 176. Te veel ruimte voor materiële rechtvaardigheid gaat echter ten koste van de inzichtelijkheid van het recht (Hol & Gribnau 1999, p. 183).
Roxin 1997, p. 126.
Vgl. de tweede benadering van Brouwer (Brouwer 1999, p. 190).
Net als in de liberale benadering van het legaliteitsbeginsel, kan ook binnen de communitaristische benadering een regelconceptie en de rechtenconceptie van legaliteit worden onderscheiden. De verhouding tussen beide concepties verschilt echter wezenlijk van die binnen de liberale benadering. Door de nadruk te leggen op het belang van democratische legitimatie van wetgeving, geldt de regelconceptie van legaliteit binnen de communitaristische benadering als uitgangspunt.1 In lijn daarmee meent de communitarist dat het gegeven dat een regel is aangenomen conform de democratische spelregels belangrijker is dan de inhoud van die regel.2 Een dergelijke regel stelt bovendien niet alleen een bovengrens, maar bindt de overige staatsmachten (in het bijzonder de rechter) in beginsel geheel.3 Het lex certa-beginsel is dan een manier om de rechter onder de duim te houden en zijn taak zoveel mogelijk te beperken tot het toepassen van de wet.4 Zo krijgt, over de band van de democratie, het oude streven van absolute monarchen om de rechterlijke macht door middel van geschreven wetgeving aan hun wil te binden een hernieuwde betekenis.5
De hierboven geschetste regelconceptie van legaliteit is erg formeel van aard. Zij stelt niet de kritische vraag of wetgeving in de praktijk wel daadwerkelijk de actuele en volledige wil van de samenleving tot uitdrukking brengt.6 Door de regelconceptie van legaliteit aan te vullen met een communitaristische interpretatie van de rechtenconceptie van legaliteit kan aan die kritiek enigszins tegemoet worden gekomen.7 De wet – als besluit van de democratische wetgever procedureel gezien een betrekkelijk volmaakte wijze van vaststelling van de wil van de samenleving – blijft daarin een belangrijke, zelfstandige morele waarde hebben en zal doorgaans ook moeten worden gehandhaafd.8 Dat neemt echter niet weg dat die volkswil ook in minder volmaakte vorm tot uitdrukking kan komen en dat er gevallen zijn waarin de wet geen uitdrukking (meer) geeft aan de wil van de samenleving.9 De rechter heeft bijvoorbeeld voortdurend met verouderde wetgeving te maken, omdat maatschappelijke omstandigheden continu veranderen en nieuwe vormen van rechtsgoederenschendingen ontstaan.10 Het wordt dan bijvoorbeeld relevant hoe oud een wet is, of de opvattingen in de samenleving inmiddels zijn gewijzigd en zelfs of de wet vlak voor de verkiezingen is aangenomen, welke partijen voor of tegen waren en hoe die partijen vervolgens tijdens de verkiezingen hebben gepresteerd.11 De rechter fungeert dan niet als spreekbuis van de wet, maar als spreekbuis van het normatieve bewustzijn van de samenleving.
In deze rechtenconceptie van legaliteit kan de rechter in uitzonderlijke omstandigheden zelfs ten nadele van de verdachte afwijken van de tekst van de wet en de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever.12 Anders dan in de liberale rechtenconceptie van legaliteit wegen in de communitaristische rechtenconceptie van legaliteit namelijk ook de rechten van het slachtoffer, de nabestaanden en de samenleving als geheel mee.13 Afwijking ten nadele van de verdachte kan in deze visie – opnieuw: in uitzonderlijke omstandigheden – nodig zijn om voor hen materiële rechtvaardigheid te bewerkstelligen.14 De wettekst geeft dan niet zozeer de bovengrens van strafbaarheid aan, maar is eerder een indicatie van waar, met een bepaalde marge naar boven en naar beneden, de grens van aansprakelijkheid ongeveer moet worden gezocht.15
Het voorgaande werkt door in de communitaristische invulling van rechtszekerheid. Zekerheid heeft daarin twee kanten. Allereerst is er de rechtszekerheid van de verdachte dat hij niet aan de willekeur van de rechter is overgeleverd.16 Door de rechter aan de wet te binden, weet de verdachte waar hij aan toe is. De rechter kan – in ieder geval binnen een bepaalde bandbreedte – noch in zijn voordeel, noch in zijn nadeel van de wet afwijken. Ten tweede moet echter ook rekening worden gehouden met de rechtszekerheid van derden.17 Naast de verdachte hebben immers bijvoorbeeld ook het slachtoffer en/of de nabestaanden behoefte aan zekerheid.18 Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat hun rechten worden gerespecteerd en door de overheid worden beschermd.19 In het verlengde daarvan ligt de zekerheid van andere leden van de samenleving dat strafwaardige gedragingen niet onbestraft blijven en dat de wet wordt gehandhaafd.20 Het gaat dan om de zekerheid dat daadwerkelijk recht zal worden gedaan.21 Het onderscheid tussen deze twee vormen van rechtszekerheid is in het bijzonder relevant bij voorfasedelicten, nu die tweede vorm van rechtszekerheid volgens bijvoorbeeld Smith zelfs (onderdeel van) de grondslag is voor de strafbaarstelling van voorfasehandelingen.22 De voorfasehandeling zou namelijk de rechtszekerheid over de gelding van de grondnorm aantasten.
De nadruk op collectieve, in plaats van individuele, rechtszekerheid hangt verder nauw samen met de gedachte dat wetten slechts de tijdelijke uitkomsten zijn van een doorlopend maatschappelijk proces van onderhandelen en heronderhandelen.23 Dat relativeert het belang van individuele rechtszekerheid: het recht verandert immers voortdurend met maatschappelijke opvattingen mee en is daarom haast per definitie niet stabiel en zeker.24 Collectieve rechtszekerheid pleit bovendien niet per se voor duidelijkere wetgeving en een strikte binding van de rechter aan de wet.25 Hoe gedetailleerder de strafbaarstelling, des te groter is immers bijvoorbeeld de kans dat een naar het oordeel van de samenleving strafwaardig geval door de mazen van de wet glipt en de dader zijn ‘verdiende’ straf ontloopt.26 Een zekere mate van vaagheid draagt juist bij aan de mogelijkheden die de rechter heeft om de rechtvaardigheidsopvattingen in de samenleving mee te wegen en zo materiële rechtvaardigheid te kunnen bieden.27 Te hoge eisen aan de duidelijkheid van wetgeving veroorzaken omgekeerd juist een starheid die tot onrechtvaardige uitkomsten kan leiden.28 Om rechtszekerheid te scheppen, moet dus een balans worden gevonden tussen enerzijds een strikte binding aan de wet en anderzijds de actuele rechtvaardigheidsopvattingen van de samenleving.29