Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.3.1.5
5.3.1.5 Opzettelijke onduidelijkheid
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715403:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Claes 2004, p. 382; Schaffmeister & Heijder 1983, p. 443.
Stolwijk 1986, p. 162.
Nan 2011, p. 93-98 en 253. Nan plaatst ook de strafbaarstelling van voorbereiding in het licht van die risicosamenleving (Nan 2011, p. 98).
Scheltema 1989, p. 17; Mulder 1987, p. 410; ’t Hart 1983, p. 220; Heijder 1979, p. 144-145; Pompe 1945, p. 50. Die ontwikkeling is niet alleen in Nederland is gesignaleerd, maar ook in bijvoorbeeld Duitsland (Yoon 2001, p. 28 en voetnoot 103; Roxin 1997, p. 125 en 126; Schünemann 1978, p. 6) en België (Verbruggen 2004, p. 89-90).
Mulder 1987, p. 410-411.
Stolwijk 1986, p. 163.
Claes 2004, p. 382.
De Jong & Knigge 2003, p. 35; Brouwer 1999, p. 202; Hol & Gribnau 1999, p. 176; Mulder 1987, p. 410; Groenhuijsen 1982, p. 277 en 280; Heijder 1979, p. 149; Schreiber 1976, p. 210.
Schünemann 1978, p. 8.
Krey 1983, p. 122; Schünemann 1978, p. 3-4, 6 en 8.
Stolwijk 1986, p. 170. Zie ook: Mulder 1987, p. 411.
Krey 1983, p. 85. Vgl. Schreiber 1976, p. 155. Datzelfde geldt voor sommige auteurs zelfs voor wat betreft het toelaten van analoge interpretatie.
Keupink 2011, p. 28; Mulder 1987, p. 410-411; Heijder 1979, p. 152. Zie ook: Stolwijk 1986, p. 170.
Fuller 1969, p. 63, voetnoot 21.
Pompe 1945, p. 50.
Schaffmeister & Heijder 1983, p. 443.
Altena wijst op Savigny, die zou menen dat de uiteindelijke bron van het recht de Volksgeist is; een combinatie van de menselijke natuur en de kenmerken van een bepaalde bevolking (Altena 2016, p. 35). De democratie is dan slechts een middel om die Volksgeist boven water te krijgen, maar als de rechter, desnoods door middel van analoge interpretatie, de wet in lijn met diezelfde Volksgeist uitlegt, is daar vanuit dit oogpunt niet veel op tegen.
Zie ook §5.4.1.5.
Enschedé/Blom 2013, p. 26; Kristen 2011, p. 326.
Schünemann 1978, p. 32. Dat past goed binnen de finale handelingsleer, die stelt dat de handeling moet worden geïnterpreteerd in het licht van de intentie waarmee zij is verricht, zodat slechts casuïstisch en van geval tot geval kan worden beoordeeld welke gevallen strafbaar zijn en welke niet (Rozemond 1994, p. 672). De rechter moet zijn oordeel vanuit communitaristisch oogpunt dan natuurlijk wel baseren op dat van de samenleving. Zie in vergelijkbare zin over de Historische School: Altena 2016, p. 34-35; Groenhuijsen 1996, p. 97.
Aldus bijvoorbeeld Mulder met een beroep op artikel 11 van de Wet algemene bepalingen (Mulder 1987, p. 426).
Schünemann 1978, p. 6; Roxin 1997, p. 125. In vergelijkbare zin is ook gedelegeerde strafwetgeving te bekritiseren, omdat de reikwijdte daarvan niet door de democratisch gelegitimeerde wetgever wordt vastgesteld, maar door het bestuur (Hol & Gribnau 1999, p. 176; De Roos 1987, p. 74. Vgl. Ashworth 1991, p. 441). Ook vage, (te) veelomvattende bepalingen zijn problematisch als het OM dergelijke bepalingen maar spaarzaam inzet (zie bijvoorbeeld: Sorell 2017, p. 710). Het OM wordt daarmee immers niet aan de democratisch aangenomen wet gebonden en kan op ieder willekeurig moment beslissen een dergelijke bepaling alsnog in te zetten.
Claes 2004, p. 386.
Aldus bijvoorbeeld de Belgische Raad van State (daarover: Claes 2004, p. 385).
Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 38. Zie ook: De Jong 1992, p. 51. Het heeft inderdaad iets paradoxaals dat dergelijke burgers, die met kwade intenties doelbewust de grenzen van de strafwet opzoeken, door het legaliteitsbeginsel worden beschermd, terwijl burgers die er met de beste bedoelingen niet slagen zich door het soms ondoorgrondelijke strafrechtelijk oerwoud een weg te banen en daardoor net over de grens zijn gegaan, van dat beginsel geen bescherming krijgen (Altena 2016, p. 141; Schreiber 1976, p. 214 en 215).
Buiting 1965, p. 122.
Ook binnen een communitaristisch strafrecht vervult het lex certa-beginsel dus een taak. Diverse auteurs signaleren de afgelopen decennia echter een achteruitgang in de duidelijkheid van wetgeving: wetten zouden steeds vager en breder worden geformuleerd.1 In het Wetboek van 1886 kwamen vage normen weliswaar ook voor, maar – zo wordt gesteld – die waren relatief schaars en werden doorgaans niet opzettelijk onduidelijk gehouden.2 In moderne wetgeving zouden open normen en normatieve waardeoordelen veel vaker voorkomen. Verklaringen daarvoor worden in verschillende richtingen gezocht. Nan wijst op de opkomst van de risicomaatschappij en de stapsgewijze vervanging van de liberale idee van bescherming van burgers tegen de overheid door de meer communitaristische idee van bescherming van burgers tegen derden.3 Daardoor zou de nadruk zijn komen te liggen op ongewenste risico’s en gevolgen in plaats van ongewenste gedragingen.4 Bestanddelen stellen daardoor weinig duidelijke grenzen en de delictsomschrijving duidt vooral de kern van het strafbare feit aan.5 Bovendien zou het hoge tempo waarin veranderingen in de samenleving plaatsvinden bijdragen aan moeilijkheden om aan de strenge eisen van het legaliteitsbeginsel te voldoen.6 Daarmee samenhangend zou tot slot de toenemende globalisering de wetgever ertoe bewegen zijn wetgevende taak ook steeds vaker uit te besteden aan internationale en supranationale organen, die – als gevolg van internationale compromissen en de diversiteit aan rechtssystemen – niet altijd even duidelijke regelgeving opstellen.7
Wat de precieze oorzaak ook moge zijn, de indruk bestaat dat tegenwoordig in de praktijk niet veel meer van de idealen van het lex certa-beginsel terecht komt.8 Schünemann stelt met enig gevoel voor drama dat er geen beginsel is dat theoretisch van dermate fundamenteel belang is als het legaliteitsbeginsel, dat tegelijk in de praktijk zo veelvuldig wordt geschonden.9 Hij komt – overigens net als Krey – tot de vernietigende conclusie dat het lex certa-beginsel dermate is aangetast dat niet meer van uitholling, maar eerder van afschaffing moet worden gesproken.10 Nauwelijks positiever zijn de auteurs die menen dat het beginsel vooral nog symbolische betekenis heeft.11
Vanuit communitaristisch oogpunt is het maar zeer de vraag in hoeverre deze aantasting van het lex certa-beginsel werkelijk problematisch is. Men zou immers vol kunnen houden dat de wetgever zelf moet kunnen beslissen hoe duidelijk hij zijn wetten maakt en hoeveel ruimte hij aan de rechter overlaat.12 Wat dat betreft is het veelzeggend dat Keupink de indruk heeft dat kritiek op onduidelijke wetgeving aan dovemansoren lijkt te zijn gericht en dat volgens andere auteurs de nadelige consequenties van het liberale lex certa-beginsel tegenwoordig minder lijken te worden aanvaard dan voorheen.13 Fuller meent dat dit komt doordat het lex certa-beginsel op gespannen voet zou staan met het idee dat alle democratisch aangenomen wetten geldig zijn, zonder dat daar inhoudelijke eisen aan kunnen worden gesteld.14 Pompe betoogt dan ook dat artikel 1 Sr de wetgever geen wezenlijke beperkingen oplegt voor wat betreft de redactie van strafbepalingen en dat de wetgever er dus voor zou kunnen kiezen strafbepalingen ruim te formuleren door middel van vage, normatieve bestanddelen en de exacte afbakening aan de rechter over te laten.15
De wetgever kiest er soms inderdaad bewust voor vage normen te hanteren en de rechter de ruimte te geven de norm nader in te vullen.16 Dat is vanuit communitaristisch perspectief, zoals gezegd, vooral weinig problematisch als de rechter bij het gebruik van die ruimte aansluiting zoekt bij de heersende opvattingen in de samenleving.17 Dat maakt het ook eenvoudiger om wetgeving bij de tijd te houden.18 Niet zelden is aannemelijk dat de wetgever een delictsomschrijving ruimer of anders zou hebben geformuleerd als hij bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen vooraf had kunnen voorzien.19 Door bewust gebruik te maken van vage normen, maakt de wetgever het voor de rechter mogelijk om in het concrete geval te bepalen wat naar de actuele, heersende opvattingen de meest rechtvaardige uitkomst is.20 In gevallen waarin de wetgever bewust ruimte voor interpretatie laat, ligt het niet voor de hand wetgeving onverbindend te verklaren wegens strijd met het lex certa-beginsel.21
Toch zijn er de nodige zorgen over de mate waarin de wetgever vage wetgeving opstelt. De oorspronkelijke vrees dat de rechter zich een wetgevende bevoegdheid zou toe-eigenen, lijkt te zijn vervangen door de vrees dat de wetgever door middel van vage bestanddelen zijn wetgevingsbevoegdheid vrijwillig overdraagt aan de niet-democratisch gelegitimeerde rechter.22 Dat raakt het wezen van de democratie.23 Het valt te verdedigen dat het lex certa-beginsel de wetgever verbiedt door middel van vage strafbepalingen haar rechtsvormende bevoegdheid aan de rechter over te dragen.24 Daar staat echter tegenover dat, zoals hiervoor uiteen is gezet, vage normen, vangnetbepalingen en algemene categorieën bijzonder nuttig kunnen zijn bij het streven naar materiële rechtvaardigheid in concrete gevallen en het aanpakken van personen die bewust naar de mazen in de wet zoeken.25 Buiting meent bijvoorbeeld dat het risico te groot is dat allerlei strafwaardige gevallen door de mazen van de wet glippen als de wetgever zeer specifiek moest aangeven welke pogingshandelingen strafbaar waren.26
Uiteindelijk gaat het hier om een hoogst normatieve, principiële vraag, vergelijkbaar met die of de wetgever op democratische wijze de democratie moet kunnen opheffen. Een antwoord daarop hoeft in het kader van dit onderzoek – gelukkig – niet te worden gegeven. Het punt is voor nu vooral dat duidelijkheid binnen de communitaristische benadering andere vragen en associaties oproept en op andere wijzen kan worden gerechtvaardigd dan binnen de liberale benadering. Die verschillen werken door in de communitaristische beoordeling van de verschillende typen onduidelijkheid. Net als hiervoor, komen in de hiernavolgende paragrafen achtereenvolgens semantische onduidelijkheid (§5.3.2), wetssystematische onduidelijkheid (§5.3.3) en gebrek aan specificiteit (§5.3.4) bij voorfasedelicten aan bod.