Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.3.8
5.3.8 Bezwaren tegen het subjectieve betalingsbegrip
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS493947:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Scheltema 1997, p. 50. Een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212) kan volgens Scheltema niet worden ingesteld, omdat hij meent dat een beroep op art. 6:212 uitgesloten is in gevallen waarin een prestatie wordt verricht.
Vgl. ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 2011 (6-IV*), nr. 423.
Zie HR 25 februari 1925, NJ 1926, p. 362; HR 2 december 1949, NJ 1950/265; HR 22 juni 1984, NJ 1984/709; HR 28 juni 1992, NJ 1992/787 (Verkerk/Van der Veen q.q.); HR 7 juni 2002, NJ 2002/608 (Komdeur q.q./Nationale Nederlanden); PG Boek 6, p. 806.
Schoordijk 1999, p. 48.
Vgl. HR 26 januari 2001, NJ 2002/118 (Standard Groep Holland/ING).
Zie voor een uitvoerige analyse van gevallen waarin is gepresteerd op grond van een ongeldige opdracht: hoofdstuk 6, par. 6.4.4.
Zie over dit verweermiddel uitvoerig par. 5.6.5.
Vgl. Schoordijk 1999, p. 48; vgl. HR 6 februari 2004, JOR 2004/156 (Jeka Holding/ National Westminster Bank); Rb. Haarlem 23 maart 2005, JOR 2005/261. Echter, als C er gerechtvaardigd op vertrouwde dat A wel een toereikende opdracht heeft willen uitvoeren, mag C de ontvangen prestatie houden, vlg. HR 29 mei 1981, NJ 1982/191 (ABN/Allectric) en moet A zich tot B wenden, omdat B’s schuld aan C is verminderd. Voor zover dat een (persoonlijk gewaardeerde) verrijking voor B vormt, kan A van B terugvorderen: HR 26 januari 2001, NJ 2002/118 (Standard Groep Holland/ING). Zie over deze jurisprudentie hoofdstuk 6. Overigens kan A onder Duits recht wel van C terugvorderen. Zimmermann & Du Plesis wijzen erop dat deze vordering moeilijk te verklaren is met behulp van de heersende leer; zie: Zimmermann & Du Plesis 1994, p. 35.
Slechts als C er gerechtvaardigd op vertrouwde dat A in opdracht handelde van B, kan C hetgeen hij van A heeft ontvangen behouden. In dat geval dient A van B te kunnen terugvorderen voor zover de schuld van B aan C teniet is gegaan en B daardoor is gebaat; vgl. HR 29 mei 1981, NJ 19821/191 (ABN/Allectric) en zie ook HR 26 januari 2001, NJ 2002/118 (Standard Groep Holland/ING).
Scheltema 1997, p. 117.
Zelfs als de rechtsverhouding AB wel zonder manco’s bestond en A rechtstreeks aan C heeft gepresteerd kan A van B terugvorderen, omdat na de cessie de schuld van A aan B niet meer bestaat (maar vervangen is door een schuld aan C) en de bedoeling van A om aan B na te komen nooit meer kan worden gerealiseerd.
Zie voor verdere kritiek op het subjectieve betalings- en rechtsgrond begrip uitvoerig hoofdstuk 3, waar bleek dat het subjectieve betalingsbegrip ook niet werkt bij cessie en driepartijenovereenkomsten. De argumenten die de groeiende groep Duitse auteurs aanvoeren tegen een subjectief betalingsbegrip kunnen op exact dezelfde wijze en om dezelfde redenen worden aangevoerd tegen Scheltema’s systeem.
Een ander nadeel van het subjectieve betalingsbegrip is dat onduidelijk is hoe moet worden beoordeeld wat de nagestreefde bedoeling is. Wiens perspectief geldt daarbij als doorslaggevend? Als men, zoals in het Duitse recht, uitgaat van het perspectief van degene die de prestatie feitelijk in ontvangst neemt, kan men bij een prestatie door een vermeende hulppersoon niet verklaren waarom A kan terugvorderen van C als blijkt dat A geen geldige opdracht heeft ontvangen van B. Immers, vanuit het perspectief van C wil A aan B nakomen en B aan C. A zou dan alleen van B kunnen terugvorderen en niet van C. Zie ook hoofdstuk 3, par. 3.7.7.
Zie par. 5.5.
Scheltema’s systeem heeft voordelen, maar ook nadelen. In deze paragraaf bespreek ik enkele daarvan. Al met al moet worden geconcludeerd dat een subjectief betalingsbegrip meer vragen oproept dan beantwoordt. Naar mijn mening vormt het dan ook geen goed alternatief voor de heersende leer.
(i) Geen vordering bij onbewust verrichte prestatie
Als eerste bezwaar tegen het subjectieve betalingsbegrip kan worden genoemd dat onbewust verrichte prestaties niet als betaling in de zin van artikel 6:203 kunnen gelden. Bij een subjectief betalingsbegrip is vereist dat met de prestatie een bedoeling wordt nagestreefd. Bij onbewust verrichte prestaties streeft de presterende partij echter per definitie geen bedoeling na. De prestatie kan daardoor niet als een onverschuldigde betaling worden teruggevorderd. Scheltema lost dit probleem op door aan te nemen dat een ‘objectieve overeenkomst’ tot stand komt. Deze fictieve overeenkomst zou inhouden dat de ontvanger de waarde van de prestatie vergoedt.1 Een dergelijke fictie verklaart echter niet waarom deze verbintenis ontstaat. Het zicht op de echte reden, namelijk dat een prestatie zonder rechtsgrond is verricht, raakt zo vertroebeld.2
(ii) Bewust onverschuldigd verrichte prestaties geen subjectieve betalingen
Het tweede bezwaar tegen het subjectieve betalingsbegrip is dat het geen aanspraak geeft aan een partij die bewust een onverschuldigde betaling verricht. Het is wenselijk dat een dergelijke betaling kan worden teruggevorderd. Stel bijvoorbeeld dat A een vordering heeft op B tot het verrichten van een prestatie, waar hij dringend behoefte aan heeft. Hij meent op goede gronden geen schuld te hebben aan B, terwijl B wel een vordering op hem pretendeert te hebben. Om te voorkomen dat B (onbevoegd) de nakoming van diens verbintenis opschort, besluit A om de onverplichte prestatie te verrichten. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat een dergelijke prestatie kan worden teruggevorderd als een onverschuldigde betaling.3 Terugvordering is echter niet mogelijk met een subjectief betalingsbegrip. In die benadering kan een prestatie slechts worden teruggevorderd als bepaalde welomschreven bedoelingen niet zijn verwezenlijkt, zoals het nakomen van een schuld. Het zou gekunsteld zijn om aan te nemen dat de presterende partij (A) de bedoeling had om een niet bestaande schuld te voldoen terwijl hij wist dat de schuld niet bestaat.
(iii) Onwenselijke uitkomsten bij betalingen op grond van een ongeldige opdracht
Het derde bezwaar tegen het subjectieve betalingsbegrip is dat onwenselijke uitkomsten worden bereikt in gevallen waarin een schuldenaar (A) een prestatie verricht omdat hij ten onrechte meent een opdracht van zijn schuldeiser (B) te hebben ontvangen om te presteren aan een derde (C).4
Een voorbeeld maakt dit duidelijk. A vergist zich en gaat er ten onrechte vanuit dat hij een opdracht heeft ontvangen van B om te presteren aan C. A voert de vermeende opdracht uit en presteert aan C. A wil daarmee zijn eigen schuld aan B nakomen, zodat B door het subjectieve betalingsbegrip wordt aangewezen als de enige ontvanger van A’s betaling. De betaling leidt er niet toe dat de schuld wordt nagekomen. B heeft het recht om A’s prestatie zelf in ontvangst te nemen en kan daarom nakoming blijven vorderen van A.5 De bedoeling waarmee de betaling is verricht, wordt dus niet verwezenlijkt. A kan daarom zijn prestatie terugvorderen en wel van de ontvanger van de prestatie. Volgens het subjectieve betalingsbegrip is dit B.
Deze uitkomst is echter onwenselijk wanneer B niet door de betaling is gebaat.6 Dat is het geval als C geen vordering had op B, zodat A’s betaling aan C er niet toe heeft geleid dat een schuld van B aan C teniet is gegaan. B zal een beroep kunnen doen op het verweer dat hij de onverschuldigde betaling niet waardeert.7 A kan dan niet zijn onverschuldigde betaling terugvorderen van B. Het is daarom wenselijk dat A kan terugvorderen van C, die ten onrechte een prestatie ontving.8 C wordt echter niet door het subjectieve betalingsbegrip aangewezen als ontvanger van A’s betaling.9
Overigens meent Scheltema dat A geen vordering dient hebben tegen C.10 Volgens hem mogen gebreken in de rechtsverhouding AB geen gevolgen hebben voor C, omdat C geen goed zicht heeft op deze rechtsverhouding. Daarom zou C bescherming verdienen tegen een vordering van A. C zou volgens Scheltema wel een onverschuldigde betaling hebben ontvangen van B, omdat vanuit het perspectief van C een betaling is verricht door A als hulppersoon van B en B kennelijk een bedoeling nastreefde ten opzichte van C. B zou daarom uit hoofde van onverschuldigde betaling kunnen terugvorderen van C. Hetgeen hij aldus van C ontvangt, dient hij af te dragen aan A.
Ik meen echter dat Scheltema’s systeem teveel bescherming geeft aan C tegen A. Als C geen vordering heeft op B, heeft hij zonder geldige reden een prestatie ontvangen, die hij sowieso moet teruggeven (volgens Scheltema aan B). C wordt door een verplichting tot rechtstreekse teruggave aan A in plaats van aan B niet in een nadeligere situatie gebracht. Daarentegen wordt A door de bescherming van C wel benadeeld. A loopt onnodig een dubbel faillissementsrisico. A krijgt zowel niets terug wanneer B failliet gaat als wanneer C failliet gaat (in dat laatste geval kan B niets terugvorderen van C om dit weer op zijn beurt terug te geven aan A).
(iv) Enkel bedoeling van de presterende partij mag niet doorslaggevend zijn
Ten slotte is een nadeel van het systeem van Scheltema dat in andere meerpartijenverhoudingen, zoals cessie, de uitkomst volstrekt afhankelijk is van de bedoeling die wordt nagestreefd door degene die de prestatie verricht en niet van normatieve overwegingen. Stel bijvoorbeeld dat B een vordering heeft op consument A en haar cedeert aan factormaatschappij C. A realiseert zich niet dat hij een nieuwe schuldeiser heeft. Voor A is een factormaatschappij, net als een incassobureau, slechts een betaaladres. Wanneer A aan C betaalt, heeft hij de bedoeling om zijn schuld aan B te voldoen. Volgens het subjectieve betalingsbegrip betaalt A daarom aan B. Bij een gebrek in de rechtsverhouding AB zal A uitsluitend kunnen terugvorderen van B.11 De uitkomst is anders alsAvoldoende juridisch geschoold is en begrijpt dat er een vervanging van de schuldeiser heeft plaatsgevonden. Dan streeft hij een bedoeling na jegens C en kan hij alleen van C terugvorderen. Echter, wie door A wordt aangezien als diens schuldeiser, mag niet allesbepalend zijn voor het antwoord op de vraag van wie A kan terugvorderen.12 De uitkomst moet afhangen van normatieve afwegingen, waarin bijvoorbeeld de verdeling van faillissementsrisico’s een rol speelt.13 Welke normatieve afwegingen moeten worden gemaakt, bespreek ik hierna en in het volgende hoofdstuk.14