Einde inhoudsopgave
Grensoverschrijdende overgang van onderneming (MSR nr. 69) 2015/7.3.5
7.3.5 Gewone werkplek
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg
- JCDI
JCDI:ADS432194:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Even & van Kampen 2004, p. 29.
HvJ EU 15 maart 2011, NJ 2011, 246 m.nt. M.V. Polak en JAR 2011/114 (Koelzsch) en HvJ EU 15 december 2011, NJ 2012, 273 m.nt. M.V. Polak en JAR 2012/75 (Voogsgeerd/Navimer).
HvJ EG 13 juli 1993, NJ 1997, 61 m.nt. Th.M. de Boer (Mulox IBC Ltd/Geels) punt 25.
HvJ EG 9 januari 1997, NJ 1997, 716 en JAR 1997/107 (Rutten/Cross Medical).
HvJ EG 27 februari 2002, NJ 2005, 336 en JAR 2002/208 (Weber/Universal Ogden Services).
HvJ EU 15 maart 2011, NJ 2011, 246 m.nt. M.V. Polak en JAR 2011/114 (Koelzsch).
Het feit dat er een ondernemingsraad naar Duits recht is opgericht veronderstelt dat er een onderneming is.
HvJ EU 15 maart 2011, NJ 2011, 246 m.nt. M.V. Polak en JAR 2011/114 (Koelzsch) punt 42.
HvJ EU 15 maart 2011, NJ 2011, 246 m.nt. M.V. Polak en JAR 2011/114 (Koelzsch) punt 45.
HvJ EU 15 maart 2011, NJ 2011, 246 m.nt. M.V. Polak en JAR 2011/114 (Koelzsch) punt 50.
HvJ EU 15 december 2011, NJ 2012, 273 m.nt. M.V. Polak en JAR 2012/75 (Voogsgeerd/Navimer).
van Hoek 2011, p. 658.
Derks 2011, p. 11.
Maatgevend voor het vaststellen van het objectief toepasselijke recht is het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht. Door de formulering ‘waar, of bij gebreke daarvan, van waaruit’ kiest de Europese wetgever allereerst voor het land van de gewone werkplek en pas als dat er niet is moet worden gekeken naar het land van waaruit de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht.
In het algemeen geldt dat het recht van het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht het nauwst bij de arbeidsovereenkomst aansluit.1 Van ‘gewoonlijk’ arbeid verrichten is – blijkens de redactie van artikel 8 lid 2 Rome I-Verordening – kennelijk geen sprake wanneer de werknemer zijn arbeid tijdelijk in een ander land verricht. Overweging 36 van de preambule bij de Rome I-Verordening bepaalt dat het verrichten van arbeid in een ander land als tijdelijk moet worden aangemerkt wanneer van de werknemer wordt verwacht dat hij na de voltooiing van zijn taak in het buitenland opnieuw arbeid in het land van herkomst gaat verrichten. Het sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst met de oorspronkelijke werkgever of met een werkgever die tot dezelfde groep behoort als de oorspronkelijke werkgever mag niet beletten dat de werknemer geacht wordt zijn arbeid tijdelijk in een ander land te verrichten.
De conflictregel van artikel 8 Rome I-Verordening komt vrijwel overeen met de bevoegdheidsregel voor internationale arbeidsovereenkomsten zoals opgenomen in artikel 19 Brussel I-Verordening. Bij het formuleren van de conflictregel van artikel 8 Rome I-Verordening is aansluiting gezocht bij de rechtspraak van het Hof van Justitie omtrent de internationale bevoegdheid. Deze rechtspraak is dan ook relevant voor de uitleg van de Rome I-Verordening. Dit is uitdrukkelijk bevestigd in de arresten Koelzsch en Voogsgeerd.2 In het arrest Mulox IBC Ltd/Geels heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de belangrijkste omstandigheid voor het vaststellen van de gewone werkplek was dat de werknemer de hem opgedragen taak uitvoerde vanuit een kantoor in een verdragsluitende staat, waar hij woonachtig was, van waaruit hij zijn werkzaamheden verrichtte en waar hij na iedere zakenreis terugkeerde.3 In het arrest Rutten/Cross Medical cheeft het Hof van Justitie in feite voornoemd oordeel bekrachtigd en zich wederom uitgelaten over de vraag wat rechtens is indien de werknemer zijn werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht.4 Het Hof van Justitie heeft geoordeeld:
‘Uit al het voorgaande volgt (…) dat artikel 5, sub 1, EEX-Verdrag (…) aldus moet worden uitgelegd, dat in het geval van een arbeidsovereenkomst waarvan de uitvoering meebrengt dat de werknemer zijn arbeid in meer dan één verdragsluitende staat verricht, de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, in de zin van deze bepaling, de plaats is waar de werknemer het werkelijke centrum van zijn beroepswerkzaamheden heeft gevestigd. Voor het vaststellen van deze plaats in het concrete geval moet rekening worden gehouden met de omstandigheid, dat de werknemer het grootste deel van zijn arbeidstijd doorbrengt in één van de verdragsluitende staten, waar hij een kantoor heeft van waaruit hij de voor zijn werkgever te verrichten werkzaamheden organiseert en waar hij na elke in verband met zijn werk gemaakte buitenlandse reis terugkeert.’
In het arrest Weber/Universal Ogden Services oordeelde het Hof van Justitie dat als de werknemer zijn werkzaamheden in verschillende landen verricht, de plaats waar hij gewoonlijk zijn arbeid verricht de plaats is waar of van waaruit hij feitelijk het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult.5
Voor de uitleg van artikel 8 Rome I-Verordening is tevens het arrest Koelzsch/Groothertogdom Luxemburg van belang.6 Koelzsch, woonachtig in Duitsland, is in 1998 als internationaal chauffeur in dienst getreden van de vennootschap naar Luxemburgs recht Gasa Spedition Luxembourg SA (hierna: Gasa) – overgenomen door de vennootschap naar Luxemburgs recht Ove Ostergaard Luxembourg SA (hierna: Ove) – die is gespecialiseerd in het vervoer van bloemen en andere planten vanuit Denemarken naar bestemmingen voornamelijk in Duitsland maar ook in andere Europese landen. De vrachtwagens van Gasa hebben hun standplaats in Duitsland, waar de vennootschap geen zetel en geen kantoor heeft. De vrachtwagens zijn geregistreerd in Luxemburg en de chauffeurs zijn aangesloten bij de Luxemburgse sociale zekerheid. De in 1998 ondertekende arbeidsovereenkomst van Koelzsch bepaalde dat in geval van geschil het Luxemburgse recht van toepassing zou zijn. Na de aankondiging van de herstructurering van Gasa en van de vermindering van de transportactiviteiten vanuit Duitsland hebben de werknemers in 2001 in Duitsland een ondernemingsraad (‘Betriebsrat’) opgericht waarvan Koelzsch deel uitmaakte als vervangend lid.7 Bij brief van 13 maart 2001 heeft de directeur van Gasa de arbeidsovereenkomst van Koelzsch per 15 mei 2001 beëindigd. Na eerst beroep te hebben ingesteld bij de Duitse rechter, die zich onbevoegd heeft verklaard, heeft Koelzsch de vennootschap Ove voor het Tribunal du Travail de Luxembourg gedaagd, opdat zij zou worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding wegens onrechtmatig ontslag en van een opzeggingsvergoeding en achterstallig loon. Koelzsch betoogde dat het Luxemburgse recht weliswaar van toepassing was op de arbeidsovereenkomst, maar dat krachtens het EVO hem niet de bescherming uit hoofde van de toepassing van dwingende bepalingen van het Duitse recht mocht worden ontnomen. Krachtens Duits recht was het ontslag van leden van de ondernemingsraad verboden. Koelzsch voerde derhalve aan dat zijn ontslag krachtens de Duitsewettelijke regeling en de rechtspraak van het BAG, waarin het ontslagverbod is uitgebreid tot plaatsvervangende leden, onregelmatig was. Het Tribunal du Travail (Luxemburg) stelde vast dat het geding uitsluitend door het Luxemburgse recht werd beheerst, hetgeen door de Cour d’Appel en de Cour de Cassation werd bevestigd. Koelzsch heeft daarop in maart 2007 bij het Tribunal d’Arrondissement de Luxembourg beroep tot schadevergoeding ingesteld tegen de Luxemburgse staat wegens onjuiste toepassing van het EVO door de nationale rechterlijke instanties. De Cour d’Appel de Luxembourg, waarbij Koelzsch hoger beroep had ingesteld, besloot het Hof van Justitie de vraag te stellen of in het geval waarin een werknemer zijn arbeid in verschillende landen verricht maar systematisch naar een daarvan terugkeert, het recht van dat land dient te worden toegepast als ‘het recht van het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht’ in de zin van het EVO. Het Hof van Justitie heeft naar aanleiding van deze prejudiciële vraag overwogen:
‘Aangezien de doelstelling van artikel 6 van het verdrag van Rome van 1980 een passende bescherming van de werknemer is, volgt daaruit dat deze bepaling moet worden opgevat als een waarborg dat eerder het recht van de staat waarin hij zijn beroepswerkzaamheden verricht, van toepassing is dan dat van de staat van de zetel van de werkgever. De werknemer oefent zijn economische en sociale functie immers in eerstgenoemde staat uit en (…) zijn arbeid ondergaat ook in die staat de invloed van het politieke en het bedrijfsklimaat. Bijgevolg moet de eerbiediging van de in het recht van dat land geldende voorschriften ter bescherming van de arbeid zo veel mogelijk worden gewaarborgd.’8
Gelet op de met artikel 6 EVO nagestreefde doelstelling moet het in lid 2 sub a daarvan genoemde criterium van het land waar de werknemer ‘gewoonlijk zijn arbeid verricht’ dus ruimworden uitgelegd, terwijl het in lid 2 sub b van dat artikel bedoelde criterium van de zetel van de ‘vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen’ toepassing zou moeten vinden wanneer de aangezochte rechter niet in staat is te bepalen in welk land de arbeid gewoonlijk wordt verricht. Het in artikel 6, lid 2 sub a EVO vervatte criterium dient volgens het Hof van Justitie ook te worden toegepast in een geval waarin de werknemer zijn werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, waarbij het voor de aangezochte rechter mogelijk is te bepalen met welke staat de arbeid een duidelijk aanknopingspunt heeft. Het criterium van het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht moet, wanneer de arbeid in meer dan één lidstaat wordt verricht, ruim worden uitgelegd en aldus worden opgevat:
‘(…) dat het verwijst naar de plaats waar of van waaruit de werknemer daadwerkelijk zijn beroepswerkzaamheden verricht, en bij gebreke van een centrum van de activiteiten, naar de plaats waar hij het grootste gedeelte van zijn werkzaamheden verricht.’9
Deze uitleg staat volgens het Hof van Justitie op één lijn met de bewoordingen van artikel 8 Rome I-Verordening. Volgens het Hof van Justitie moet vanwege de aard van de arbeid in de internationale transportsector rekening worden gehouden met alle elementen die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken, zoals in welke staat zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden. De verwijzende rechter moet teven nagaan in welke plaatsen het vervoer hoofdzakelijk wordt verricht, in welke plaatsen de goederen worden gelost en naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert. Het Hof van Justitie heeft geconcludeerd dat artikel 6 lid 2 sub a EVO aldus moet worden uitgelegd:
‘(…) dat in het geval waarin de werknemer zijn werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht in die zin van deze bepaling, dat is waar of van waaruit de werknemer, rekening gehouden met alle elementen die deze werkzaamheid kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult.’10
Met het arrest Koelzsch, hetgeen later is bevestigd door het arrest Voogsgeerd11, wordt de lijn die was ingezet in het kader van de rechtsmacht door het Hof van Justitie doorgetrokken naar het conflictenrecht.12 De arresten kunnen als duidelijk signaal worden gezien dat de vestigingsplaats van de werkgever voor de bescherming vanwerknemers van ondergeschikt belang is. De sociaaleconomische context waarbinnen de arbeid feitelijkwordt verricht speelt bij de bepaling van het op de overeenkomst toepasselijke recht een veel belangrijkere rol. Anders gezegd: er mag niet te snel geconcludeerd worden dat het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht niet kan worden vastgesteld en dat het toepasselijke recht moet worden bepaald aan de hand van de vestigingsplaats van de werkgever.13 Juist deze ruime uitleg kan in geval van ondernemingsgerichte regelingen (zoals in casu het medezeggenschapsrecht, maar bijvoorbeeld ook bij overgang van onderneming) leiden tot ongerijmde uitkomsten.