Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/16:16 Schets van concrete maatregelen tot samenwerking
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/16
16 Schets van concrete maatregelen tot samenwerking
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS458217:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Sinds in Tampere de wederzijdse erkenning als hoeksteen van de samenwerking werd geproclameerd, is op het gebied van het strafrecht een pakket aan maatregelen tot stand gekomen met dat beginsel als uitgangspunt. Inmiddels zijn op vrijwel alle terreinen van rechtshulp instrumenten tot stand gekomen of voorgesteld. Een deel van de reeds tot stand gekomen instrumenten is geïmplementeerd en in werking, een ander deel dient nog te worden omgezet. In het navolgende worden de hoofdlijnen van de instrumenten tot samenwerking in strafzaken worden besproken. Daarbij staan de verschillende hoofdvormen van strafrechtelijke samenwerking voorop. Ook in Unieverband kan een groepering worden gemaakt die de klassieke indeling volgt: uitlevering, overdracht van executie, overdracht van strafvervolging en kleine rechtshulp.
Hierna wordt in elk geval duidelijk dat het bereik van de diverse maatregelen groter wordt en dat in EU-verband vormen van samenwerking worden geïnitieerd die in klassiek-verdragsrechtelijke context ofwel in het geheel niet bestonden ofwel niet of nauwelijks werden benut. Te denken valt aan het aanwenden van alternatieven voor voorlopige hechtenis, zoals het surveillancebevel. Ook dergelijke alternatieven zijn in de sleutel van het vertrouwensbeginsel te plaatsen. Zij vormen immers vaak ook een alternatief voor een andere vorm van samenwerking en scheppen daarmee de mogelijkheid om de rechtshandhaving even effectief, maar op een voor de verdachte burger minder ingrijpende wijze te doen plaatsvinden. In bijvoorbeeld de overleveringspraktijk is een bekend probleem dat lidstaten soms overlevering vragen voor feiten die naar Nederlandse opvattingen het zware middel van overlevering niet rechtvaardigen. In beginsel is de uitvoerende lidstaat dan wel gehouden de overlevering toe te staan. Anders gezegd: het Europees aanhoudingsbevel dicteert het vertrouwen dat het middel, overlevering, in verhouding staat tot het doel, berechting ter zake van bepaalde feiten. De facto ontbreekt dat vertrouwen nog weleens, Een consequente toepassing van de subsidiariteitsgedachte kan betekenis hebben voor het vertrouwensbeginsel waar dat ziet op de noodzaak van het vragen (of soms beter: bevelen) van een bepaalde vorm van samenwerking. Simpeler verwoord: indien in Unierechtelijk verband de mogelijkheid wordt gecreëerd én benut tot het vragen van minder ingrijpende vormen van samenwerking dan klassieke vormen (in een modern jasje), zoals overlevering, dan versterkt dat het vertrouwen dat de lidstaten met zo groot mogelijke terughoudendheid de meest ingrijpende bevoegdheden inroepen die hen in EU-verband zijn toegekend.
16.1 Samenwerking gelijkend op uitlevering16.2 Samenwerking gelijkend op overdracht van executie16.3 Samenwerking gelijkend op kleine rechtshulp16.4 Samenwerking gelijkend op overdracht van strafvervolging16.5 Andersoortige samenwerking16.6 Conclusie