Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/15.2.3.1
15.2.3.1 Boete bij toepassing van de verlengde en onbeperkte navorderingstermijn
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940389:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover nader HR 16 maart 2018, V-N 2018/15.3, BNB 2018/87 en HR 16 maart 2018, V-N 2018/15.4, BNB 2018/88.
HvJ EU 11 juni 2009, nrs. C-155/08 en C-157/08, V-N 2009/29.6.
HR 26 februari 2010, V-N 2010/13.7, BNB 2010/199.
HR 26 februari 2010, V-N 2010/13.7, BNB 2010/199, r.o. 2.2.
HR 6 augustus 2021, V-N 2021/33.17, BNB 2021/150.
HvJ EU 27 januari 2022, nr. C-788/19, V-N 2022/9.14, r.o. 27-41.
Zie daarover nader paragraaf 14.4.1.
HvJ EU 27 januari 2022, nr. C-788/19, V-N 2022/9.14, r.o. 63.
In dezelfde zin (reeds voor wat betreft de navorderingsbevoegdheid als zodanig): de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij HvJ EU 27 januari 2022, V-N 2022/9.14.
Zie paragraaf 8.2.2.1.
Zie EHRM 4 oktober 2022 (De Legé), nr. 58342/15, V-N 2023/15.16, FED 2022/123, par. 34 en EHRM 16 juni 2015 (Van Weerelt), nr. 784/14, V-N 2015/38.5, EHRC 2016/21, par. 58 (en par. 23-24). Toegegeven moet worden dat de aangevoerde klachten niet specifiek zagen op de doorwerking van de verlengde navorderingstermijn naar de sfeer van de boete.
De zogeheten verlengde navorderingstermijn van art. 16 lid 4 AWR houdt kort gezegd in dat bij buitenlandse inkomsten of buitenlands vermogen de reguliere navorderingstermijn van 5 jaren wordt verlengd tot 12 jaren.1 De Hoge Raad heeft in enkele KBLux-zaken prejudiciële vragen aan het HvJ EU gesteld, dat oordeelde dat de verlengde navorderingstermijn in beginsel een verboden beperking van zowel het vrij verrichten van diensten als van het vrije verkeer van kapitaal vormt, die echter wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen en belastingfraude te bestrijden.2
In het verlengde hiervan kwam ook de vraag aan de orde of de bijbehorende boete bij navordering door de beugel kon. Omdat de verjaringstermijn voor de boete is gekoppeld aan de verlengde navorderingstermijn, kan over buitenlandse inkomsten en buitenlands vermogen immers over meer jaren een boete worden opgelegd dan over binnenlandse inkomsten en binnenlandse vermogen. Het HvJ EU oordeelde dat het EU-recht zich niet verzet tegen de oplegging van een geldboete die is berekend naar evenredigheid van het bedrag van de navorderingsaanslag, en dus is berekend over een langere periode vanwege de toepassing van de verlengde navorderingstermijn. Ook de Hoge Raad maakte bij de verdere uitwerking van de antwoorden op de prejudiciële vragen geen onderscheid tussen de heffing en de boete.3
Kort gezegd heeft als uitgangspunt te gelden dat de verlengde navorderingstermijn EU-rechtelijk houdbaar is. Als de inspecteur over aanwijzingen beschikt van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, dan moet de navorderingsaanslag wel voortvarend worden opgelegd. Voortvarend betekent dan: binnen de tijd die vanaf het opkomen van de aanwijzingen noodzakelijkerwijs gemoeid is met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag. De Hoge Raad maakte weinig woorden vuil aan de boete en overwoog slechts dat ‘het bovenstaande geen wijziging ondergaat door het feit dat met de desbetreffende aanslagen boeten samenhangen.’4
In de erfbelasting geldt op grond van art. 66 lid 4 SW een in de tijd onbeperkte navorderingstermijn voor (kort gezegd) verzwegen buitenlands vermogen. In afwijking van art. 16 lid 4 AWR vervalt de bevoegdheid tot navordering daarvoor in het geheel niet. De Hoge Raad heeft deze onbeperkte navorderingstermijn voor wat betreft de sfeer van de heffing geaccordeerd, op voorwaarde dat de inspecteur voortvarend handelt.5 Ik verwacht niet dat de Hoge Raad anders zal oordelen over een met een dergelijke navorderingsaanslag samenhangende boete. Toch kunnen vraagtekens worden gezet bij de Unierechtelijke houdbaarheid van deze onbeperkte navorderingstermijn. Het HvJ EU achtte een in de tijd onbeperkte navorderingsbevoegdheid wegens het schenden van de Spaanse informatieverplichting over buitenlands vermogen namelijk strijdig met het Unierecht.6 Daarbij speelde een rol dat de boetes die in het verlengde daarvan konden worden opgelegd, disproportioneel waren.7 Dat kwam deels door de hoogte van de procentuele boete (150 % van de verschuldigde belasting) en deels door de cumulatie van die procentuele boete met een forfaitair bepaalde boete, welke forfaitair bepaalde boete bovendien hoger was dan de boete die in een zuiver nationale context werd opgelegd (en dus discriminerend was). Het HvJ EU beoordeelde deze maatregelen in onderlinge samenhang en oordeelde dat zij niet door de Unierechtelijke beugel konden.8 De Nederlandse regeling van art. 66 lid 4 SW maakt het mogelijk dat een navorderingsaanslag erfbelasting over buitenlands vermogen zonder beperking in de tijd wordt opgelegd, met daarbij een vergrijpboete van maximaal 100 %.9 Hoewel die vergrijpboete wat de maximale hoogte betreft niet hoger is dan in zuiver nationale situaties (en er in buitenlandsituaties geen andere, al dan niet forfaitaire boetes kunnen worden opgelegd), bestaat er wel degelijk een onderscheid. In zuiver nationale situaties verjaart het recht op beboeting immers wel. Ik houd daarom een slag om de arm.10
Ik verwacht niet dat het EHRM in het licht van art. 6 EVRM tot een oordeel zal komen dat haaks staat op de Unierechtelijke stand van zaken. Het EHRM toetst aangelegenheden van nationaal recht (zoals in dit geval de verjaringstermijn) namelijk in algemene zin aan de achterliggende, overkoepelende rechtsnorm van de ‘fair trial’.11 Zo lang de daaruit voortvloeiende waarborgen worden gegarandeerd, zie ik geen belemmeringen voor de lange(re) verjaringstermijn voor buitenlandse inkomsten of buitenlands vermogen. In de recente Nederlandse boetezaken die het EHRM heeft berecht, was de verlengde navorderingstermijn van toepassing en werd deze eenvoudigweg als gegeven beschouwd.12