Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/5.2.4.1
5.2.4.1 Schade in de vorm van lastenverzwaring
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS419881:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. de rekenvoorbeelden in Graetz 1977 en zie bijv. Hof Arnhem 24 oktober 2007, nr. 06/00314, V-N 2008/17.5 waarin het nadeel dat belastingplichtigen ondervinden van de aanscherping van de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s aan de orde is.
Een schatting van de totale lastenverzwaring wordt in het algemeen vermeld in de MvT.
Art. VIII lid 6 Wet Werken aan winst.
Zie b.v. HR 6 oktober 2006, nr. 42 747, BNB 2007/58 (m.nt. Essers) waaruit blijkt dat de gevolgen van de afschaffing van de WIR-verrekening per belastingplichtige aanzienlijk kunnen verschillen.
De schade wordt in eerste instantie bepaald door de lastenverzwaring die een belastingplichtige van een wetswijziging ondervindt.1 Indien de hypotheek-renteaftrek zou komen te vervallen, wordt de lastenverzwaring berekend op de thans aftrekbare rente vermenigvuldigd met het van toepassing zijnde tarief en het aantal jaren waarin nog recht bestond op de aftrekpost. Het feit dat de oneigenlijke deelneming met ingang van 1 januari 2007 niet langer als deelneming in de zin van art. 13 Wet VPB 1969 kan worden gekwalificeerd – de overgangsmaatregel buiten beschouwing latend – leidt tot een lastenverzwaring ter grootte van de toekomstige voordelen uit hoofde van een deelneming vermenigvuldigd met het Vpb-tarief. Uit de voorbeelden is af te leiden dat de precieze omvang van de lastenverzwaring per belastingplichtige vóóraf moeilijk is vast te stellen omdat deze mede afhankelijk is van onzekere factoren, zoals het toekomstige belastingtarief, toekomstige opbrengsten en andere specifieke – aan de belastingplichtige verbonden – kenmerken.2
Vaststelling van het exacte schadebedrag per belastingplichtige is alleen van belang indien de overheid de belastingplichtige door middel van een schadevergoeding zal compenseren. De schadevergoeding valt evenwel buiten het bestek van dit onderzoek (par. 3.3.2). Voor het beantwoorden van de vraag of een gunstigere werkingsregel of een overgangsmaatregel gewenst is, is in beginsel slechts van belang dat wordt vastgesteld dat een belastingplichtige meer dan minimale schade zal lijden. Als die vraag bevestigend wordt beantwoord, moet voor een keuze uit de overgangsmaatregelen en voor de looptijd van de overgangsmaatregel worden beoordeeld over hoeveel jaren de schade zich zal uitstrekken en of de schade na verloop van tijd zal afnemen, doordat belastingplichtigen alsnog in staat zijn geweest op de wetswijziging te anticiperen. Zo is bijvoorbeeld in verband met de aanpassing van de verliesverrekeningsregels per 1 januari 2007 bepaald dat verliezen die zijn geleden in 2002 of eerder nog voorwaarts mogen worden verrekend tot en met boekjaren die aanvangen in het kalenderjaar 2011.3 Bij de totstandkoming van deze overgangsmaatregel zal de wetgever ervan uit zijn gegaan dat belastingplichtigen normaliter voor 2012 hun verliezen moeten hebben kunnen verrekenen. Bij het ontwerpen van een overgangsregime dient de wetgever zich wel te realiseren dat de omvang van de schade sterk kan afhangen van de specifieke situatie waarin belastingplichtigen verkeren.4 Aan de hand van de beginselen van behoorlijk overgangsbeleid moet dan worden beoordeeld of voor die specifieke situaties een verbijzondering van het overgangsregime gewenst is.