Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/6.4.2.3
6.4.2.3 Het algemeen belang
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955452:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 9 juli 2020, C-264/19, ECLI:EU:C:2020:542 (Constantin Film Verleih/YouTube & Google), rov. 37.
COM 2017(712).
Vgl. MercExchange LLC v eBay, Inc., 401 F.3d 1323 (Fed. Cir. 2005), rev’d 547 US 391 (“A plaintiff must demonstrate (…) that the public interest would not be disserved by a permanent injunction”).
Nuninga 2022, p. 10-11 en 23-24. Aldus ook: Busche, GRUR 2021, afl. 2, p. 160.
Vgl. Apple, Inc. v. Samsung Elecs. Co., Ltd., 803 F.3d 633, 647 (Fed. Cir. 2015) (Apple IV) (“the public interest nearly always weighs in favor of protecting property rights in the absence of countervailing factors, especially when the patentee practices his inventions”).
Aldus ook Hofmann, GRUR 2020, afl. 9, p. 920: “Trotz allem ist zuzugeben, dass die dogmatische Verortung mitunter austauschbar erscheint”.
Siebrasse e.a. 2019, p. 150.
Zie Siemens Gamesa Renewable Energy A/S v. Gen. Elec. Co. 626 F. Supp. 3d 468, 474 (D. Mass. 2022). Zie art. 37 Handvest: “Een hoog niveau van milieubescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu moeten worden geïntegreerd in het beleid van de Unie en worden gewaarborgd overeenkomstig het beginsel van duurzame ontwikkeling”. Zie ook Vrendenbarg, IER 2022, afl. 5, p. 275-284.
In gelijke zin: McGuire, GRUR 2021, afl. 6, p. 782; Dijkman 2023, p. 209-210.
Hofmann, GRUR 2020, afl. 9, p. 920-922; Desaunettes-Barbero e.a. 2020, p. 7.
Zie Nuninga 2022, p. 19-31.
Hilty 2015. Zie ook ov. 1 Handhavingsrichtlijn: “De bescherming van de intellectuele eigendom is niet alleen van belang voor het bevorderen van innovatie en creativiteit, maar ook voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de verbetering van het concurrentievermogen”.
Merges, San Diego L. Rev 2012, afl. 4, p. 957-978.
Zie Apple, Inc. v. Samsung Elecs. Co., Ltd., 803 F.3d 633 (Fed. Cir. 2015) (Apple IV).
Aangenomen wordt dat dit met name geldt voor het octrooirecht; zie Stierle & Hofmann 2022, afl. 12, p. 8-9; Hilty 2015, p. 387-390; Sikorski, IIC 2022, afl. 1 p. 51; Ohly, GRUR 2021, afl. 2, p. 304.
Chiron Corporation v Organon Teknika Ltd [1995] FSR 325, 332 (“It is inherent in any patent system that a patentee will acquire a monopoly giving to him a right to restrict competition and also enabling him to put up or at least maintain prices. That affects the public and is contrary to the public interest, but it is the recognised price that has been accepted to be necessary to secure the advantages to which I have referred”). Zie ook Merges 2011, p. 270-286 (over toegang tot geoctrooieerde geneesmiddelen).
Pfizer, Inc. v. Teva Pharmaceuticals USA, Inc., 429 F.3d 1364, 1382 (Fed. Cir. 2005) (“while the statutory framework under which Ranbaxy filed its ANDA does seek to make low cost generic drugs available to the public, it does not do so by entirely eliminating the exclusionary rights conveyed by pharmaceutical patents”); Sanofi-Synthelabo v. Apotex Inc., 492 F. Supp. 2d 353, 397 (S.D.N.Y. 2007) (“this involves essentially a balancing of the public interest in having access to generic drugs at reduced prices with the ‘significant public interest in encouraging the massive investment in research and development that is required before a new drug can be developed and brought to market’”).
Merges 2011, p. 3: “The sheer practical difficulty of measuring or approximating all the variables involved means that the utilitarian program will always be at best aspirational. Like designing a perfect socialist economy, the computational complexities of this philosophical project cast grave doubt on its fitness as a workable foundation for the field”.
Zie bijv. Sikorski 2022, p. 51-52: “The purpose of patent protection is unlikely to be negatively affected when the patentee receives merely monetary compensation for use of the patented invention”.
McGuire, GRUR 2021, afl. 6, p. 775.
Zie par. 2.2.3.
Anders: Burk & Lemley 2009, 137-41 (aanvoerend dat een verbod kan fungeren als beleidsinstrument); Desaunettes-Barbero e.a. 2020, p. 7 (betogend dat bij de evenredigheidstoets ook het algemeen belang van effectieve mededinging moet worden betrokken).
Dit sluit aan bij de in ons recht gemaakte keuze voor ‘zwaarwegende maatschappelijke belangen’ boven de term ‘algemeen belang’ in art. 6:168 BW. Zie ook Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 671: “Deze meer specifieke term verdient de voorkeur enerzijds om duidelijker aan te geven dat het hier om uiteenlopende belangen van maatschappelijke aard kan gaan, die te zamen met bij het geval betrokken persoonlijke belangen in de afweging zullen moeten worden betrokken, anderzijds om te bevorderen dat de rechter er zich rekenschap van geeft en in zijn uitspraak tot uiting brengt welke concrete belangen hij in het gegeven geval doorslaggevend heeft geacht”.
Vgl. par. 4.2.4.
Par. 3.3.2.1.
Zie art. 35 Handvest: “Eenieder heeft recht op toegang tot preventieve gezondheidszorg en op medische verzorging onder de door de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden”.
Zie o.m. BGH 11 juli 2017, X ZB 2/17 (Raltegravir), rn. 49 (“Ein öffentliches Interesse kann auch dann bestehen, wenn nur eine relativ kleine Gruppe von Patienten betroffen ist”); Johnson & Johnson Vision Care Inc v. Ciba Vision Corp 712 F Supp 2d 1285, 1290 (M.D. Fla. 2010) (“millions of innocent contact lens wearers will suffer real adverse consequences”).
Zie City of Milwaukee. v. Activated Sludge, 69 F.2d 577, 593 (7th Cir. 1934). Zie ook Picht & Contreras, GRUR Int. 2023, afl. 5, p. 436.
Er bestaat discussie in de literatuur over de vraag of de rechter bij de toewijzing van een verbod aandacht moet besteden aan het algemeen belang. Het Unierecht lijkt op het eerste gezicht aanleiding te geven voor een bevestigend antwoord. Zo blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie dat de Handhavingsrichtlijn ten doel heeft een juist evenwicht te verzekeren tussen het belang van rechthebbenden bij bescherming van hun grondrecht op intellectuele eigendom en de belangen en grondrechten van de gebruikers van beschermd materiaal, alsmede van het algemeen belang.1 Daarnaast lijkt ook de Commissie ervan doordrongen dat een verbod gevolgen kan hebben voor het algemeen belang:
“Gezien de grote impact die een rechterlijk bevel kan hebben op bedrijven, consumenten en het algemeen belang, met name in de context van de gedigitaliseerde economie, dient de evenredigheidsbeoordeling zorgvuldig en per geval plaats te vinden.”2
Dat het algemeen belang betrokken kan zijn bij een rechterlijk bevel, betekent echter niet noodzakelijkerwijs dat de rechter dit belang zelfstandig moet betrekken in een inbreukprocedure.3 Uiteindelijk gaat het in een dergelijke procedure immers niet om het verwezenlijken van doelstellingen van algemeen belang, maar om het vaststellen van rechten en verplichtingen tussen een of meer benoemde partijen. Het meewegen van algemene belangen past op het eerste gezicht niet goed bij dit relatieve karakter.4 Een ‘aanvullende’ rechterlijke toetsing aan het algemeen belang roept bovendien vragen op over de verenigbaarheid daarvan met het wettelijk systeem. Het materiële recht vormt immers al een afspiegeling van een afweging van de betreffende individuele en algemene belangen.5 Omdat algemene belangen bovendien niet afhankelijk zijn van een nadere concretisering, kan worden aangenomen dat deze belangen met elkaar in balans zijn.6 Het is niet geheel duidelijk waarom dit evenwicht opnieuw ter discussie zou moeten komen in de handhavingsfase.7
Enige terughoudendheid is temeer gepast nu het algemeen belang geen afgebakende term is, maar een paraplubegrip dat een veelvoud aan belangen met een variabel abstractieniveau kan overspannen.8 Voorbeelden uit de literatuur zijn onder meer het bevorderen van betaalbare gezondheidszorg, (nationale) veiligheid, de ononderbroken werking van kapitaalmarkten, betrouwbare en veilige infrastructuur, energie, telecommunicatie en informatietechnologie.9 Daarnaast kan worden gedacht aan ecologische belangen zoals milieubescherming en duurzaamheid.10
Voornoemde belangen zullen in de praktijk niet zelden met elkaar in aanvaring komen. Het is dan ook moeilijk voor te stellen dat de rechter in een individueel geval een voorspelbaar oordeel zou kunnen geven over de wenselijkheid van een verbod in het licht van het algemeen belang.11
(i) Het belang van een doelmatige rechtshandhaving
Sommige auteurs hebben ervoor gepleit de toewijzing van een verbod afhankelijk te stellen van een doelmatigheidstoets. Het zou daarbij niet moeten gaan om algemene billijkheidsoverwegingen, maar om specifieke correcties die ervoor zorgen dat het betrokken recht de achterliggende doelstelling van het wettelijk systeem kan vervullen.12 Op het eerste gezicht lijkt er iets te zeggen voor deze opvatting. Algemeen aanvaard is dat civielrechtelijke sancties doelmatig moeten zijn.13 Evenmin staat ter discussie dat intellectuele-eigendomsrechten (mede) het algemeen belang dienen. Een functionele benadering van het verbod zou in theorie dan ook een bijdrage kunnen leveren aan de legitimiteit en doelmatigheid van het intellectuele-eigendomsrecht.14 Het probleem van deze benadering is echter dat de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten niet berust op één coherente beschermingsgedachte, maar op een compromis tussen verschillende beleidsdoelstellingen.15 Dit betekent in de meeste gevallen dat de rechter een afweging moet maken tussen verschillende algemene belangen.16 Een dergelijke afweging brengt een aanzienlijk risico op tegenstrijdige uitspraken mee en moet alleen al om die reden worden verworpen.
Het potentiële gevaar op tegenstrijdige uitspraken vermindert nauwelijks als de betekenis van het algemeen belang in de context van de evenredigheidstoets beperkt blijft tot een toetsing aan het utiliteitsprincipe.17 Hoewel het toestaan van inbreuk in een specifiek geval kan bijdragen aan de maximalisatie van maatschappelijk nut en welzijn, kan een verzwakking van effectieve rechtshandhaving op macroniveau juist een negatieve uitwerking hebben.18 Algemeen aanvaard is immers dat afdwingbaarheid van exclusiviteit investeringen aanmoedigt die de ontwikkeling van nieuwe medicijnen mogelijk maakt.19 Het lijkt vrijwel onmogelijk om in een individueel geval een adequaat oordeel te vellen over de wenselijkheid van een verbod in het licht van de utiliteitsgedachte.20
Dat dit dilemma niet altijd wordt erkend, blijkt uit het feit dat in de literatuur meer dan eens is beweerd dat het algemeen belang zich niet verzet tegen toekenning van een vergoeding in plaats van een verbod in gevallen waarin de rechthebbende een licentiebelang nastreeft.21 Als tegenover een inbreuk slechts een vergoeding staat, zullen marktpartijen immers minder geneigd zijn te onderhandelen over een licentie.22 Het verlies van controle over de exploitatie van een intellectueel-eigendomsrecht staat bovendien op gespannen voet met het specifieke voorwerp van dit recht.23
(ii) Algemene belangen en individualisering
Gelet op het voorgaande acht ik het niet wenselijk om het algemeen belang als zodanig in aanmerking te nemen bij de afweging van de relevante belangen.24 De evenredigheidstoets dient in mijn ogen dan ook beperkt te blijven tot individualiseerbare belangen. Deze benadering heeft als voordeel dat zij de betrokken partijen en de rechter dwingt om duidelijk te maken welke specifieke belangen in hun ogen een rechtvaardiging kunnen opleveren voor een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verbod.25 Dit voorkomt dat de rechter verzandt in een afweging van ongelijksoortige belangen.26 Een vereiste van individualisering draagt bij aan een coherente en voorspelbare evenredigheidstoets en is (daarmee) het meest in lijn met de doelstelling van een uniforme en doeltreffende rechtshandhaving.27
Een vereiste van individualisering is temeer gerechtvaardigd nu daarmee geen noemenswaardige barrière wordt opgeworpen voor de bescherming van maatschappelijke belangen. Zulke belangen kunnen over het algemeen immers eenvoudig worden geïndividualiseerd. Het algemeen belang van toegankelijke en goedkope medicatie komt bijvoorbeeld niet voor afweging in aanmerking, maar de belangen van individuele patiënten natuurlijk wel.28 Het kan in een concreet geval gaan om een beperkt aantal personen, maar het is niet uitgesloten dat de belangen van duizenden of zelfs miljoenen betrokken zijn.29 Denkbaar is daarnaast dat individuele belangen samenvallen met de vervulling van een publieke taak, zoals het garanderen van publieke beschikbaarheid van een rioolwaterzuiveringsproces.30