Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/10.5
10.5 Samenvatting
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685427:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Er bestaat weliswaar niet één vertrouwensbeginsel voor alle vertrouwensschendingen in het civiele recht, maar vaak staat een burger niet meer dan een rechtsmiddel tegelijkertijd ter beschikking.
De meningen daarover verschillen in de literatuur. Schlössels, Schutgens & Zijlstra 2019, p. 506-510 stellen dat de grondslag voor het aanspreken van de overheid altijd wordt gevonden in een schending van het vertrouwensbeginsel. Volgens Kortmann 2018, par. 3.6 lijkt het erop dat de bestuursrechter en de civiele rechter de nakoming van overheidsbeloften verschillend beoordelen (p. 147, en hij constateert op p. 129 dat dit ongewenst is). Van de Sande 2019a zoekt de overheidsaansprakelijkheid voor onjuiste informatieverstrekking in het zorgvuldigheidsbeginsel, en niet het vertrouwensbeginsel. Van Ommeren merkt in zijn annotatie bij HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:719, AB 2020/288 (Heruitgifte erfpacht Staat) onder 6 op – met verwijzing naar de AG – dat in de civielrechtelijke rechtspraak aan een minder vastomlijnd toetsingskader wordt getoetst. Huisman & Van Ommeren 2019, p. 38 zien het vertrouwensbeginsel als een algemeen rechtsbeginsel dat het bestuursrecht en het privaatrecht overkoepelt en waar nodig in beide rechtsgebieden een verschillende uitwerking krijgt.
Waar in het bestuursrecht een belanghebbende bij een vermeende schending van het vertrouwensbeginsel zijn heil altijd moet zoeken in een beroep tot een vernietiging van het besluit en sinds de Dakterras-uitspraak mogelijk tot een schadevergoeding wegens een schending van gerechtvaardigd vertrouwen, staat hem bij de burgerlijke rechter een diverser palet aan juridische mogelijkheden ter beschikking. 1 Een burger kan – voor zover nakoming niet ligt in publiekrechtelijke besluitvorming – nakoming vorderen van de verplichtingen die voortvloeien uit een bevoegdhedenovereenkomst of eenzijdige toezegging en de overheid aansprakelijk stellen uit wanprestatie wegens tekortschieten in de nakoming van een toezegging, dan wel het ten onrechte wekken van vertrouwen door het verstrekken van onjuiste informatie (een schending van een waarheidsplicht). Voor al die vorderingen moet de fidens aantonen dat hij gerechtvaardigd op de totstandkoming, nakoming of juistheid van een overheidsuitlating mocht vertrouwen.
In het volgende en laatste deel van dit onderzoek maak ik een vergelijking tussen de behandeling door de bestuursrechter en de civiele rechter van het vaststellen van (de rechtsgevolgen van) een vertrouwensschending door de overheid. Daarin zet ik uiteen hoe de rechters de gerechtvaardigdheid van het vertrouwen op een overheidsuitlating en een beroep op de schending daarvan op verschillende wijze vaststellen 2 en stel ik een aangepast toetsingskader voor bij de beoordeling van vertrouwensschendingen door de overheid met een verbetering van rechtseenheid, rechtsconsistentie en rechtsbescherming.