Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.2.1.3
4.3.2.1.3 Het redelijkheidscriterium tot 2017 (vervolg)
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS500254:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Praktijk is dat een schuldeiser, al dan niet op verzoek, een of meer schriftelijke berichten van de curator ontvangt, waaruit blijkt of enige uitdeling in het verschiet ligt. Faillissementsverslagen bieden doorgaans ook al een goed beeld.
Bij faillissement is de fiscus doorgaans ook relatief soepel. Ligt een uitdeling niet in lijn der verwachting, dan gaat de fiscus bijna altijd over tot teruggaaf van btw (Van Oers 2007a, p. 71 en 78, Van Oers 2007b, p. 65 en Tekstra 1999, p. 259).
Terug naar het redelijkheidscriterium. De veelzijdigheid van het faillissementsrecht maakt dat het aanmerken van één vast moment als het uiterlijke moment waarop een verzoek om teruggaaf van btw moet worden gedaan volgens mij illusoir is. Immers: daar waar een faillissementsschuldeiser of schuldeiser zonder preferentie bij het uitspreken van het faillissement de conclusie zouden kunnen trekken dat voor hem of haar geen uitkering in het verschiet zal liggen, zal een boedelschuldeiser of preferente crediteur mogelijk een geheel andere conclusie trekken. Ik hecht daarom veel waarde aan de berichtgeving van de curator aan de betreffende crediteur. Het ontstaansmoment van het recht op teruggaaf zal voor de betreffende schuldeiser namelijk veelal van afhangen van de inhoud van de berichten van de curator.1 De curator is in faillissement immers bij uitstek ter zake deskundig als het gaat om de vraag of ‘betaling van de vergoeding in rechte niet meer kan worden gevorderd’ c.q. of een schuldeiser definitief wel of geen (gedeeltelijke) betaling kan verwachten.2