Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.2.5.1
4.2.5.1 Algemeen
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS399592:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJEG 21 september 1983, 205/82-215/82 (Deutsche Milchkontor), Jur. 1983, p. 2633, r.o. 17. Zie voorts HvJEG 9 oktober 2001, C-80/99 tot en met C-82/99 (Flemmer), Jur. 2001, p.1-7211, r.o. 55; HvJEG 12 mei 1998, C-366/95 (Steff Houlberg), Jur. 1998, p. 1-2661, NJ 1999, 300, HvJEG 16 juli 1998, C-298/96 (Oelmtihle), Jur. 1998, p. 1-4767. Zie ook de arresten HvJEG 13 maart 2008, C-96/06, (Viamex Agrar Handels GmbH), Jur. 2008, p. 1-1413, r.o. 31; HvJEG 28 juni 2007, C-1/06 (Bon Fleisch), Jur. 2007, p. 1-5609; HvJEG 9 november 2006, C-120/05 (Heinrich Schulze), Jur. 2006, p. 1-10745, r.o. 26; HvJEG 7 september 2006, C-353/04, (Nowaco Germany GmbH), Jur. 2006, p. 1-7357, r.o. 65; HvJEG 1 december 2005, C-309/04 (FleischWinter), Jur. 2005, p. 1-10349, r.o. 35; HvJEG 21juli 2005, C-515/03 (Eichsfelder Schlachtbetrieb), Jur. 2005, p. 1-7355, r.o. 4; HvJEG 14 december 2000, C-110/99 (Emsland-Starke), Jur. 2000, p.1-11569, r.o. 54; HvJEG 15 juni 2000, gevoegde zaken C-418/97 en C-419/97 (ARCO Chemie Nederland e.a.), Jur. 2000, p. 1-4475, r.o. 41; HvJEG 8 februari 1996, C-212/94 (FMC e.a.), Jur. 1994, 1-389, r.o. 49 tot en met 51; HvJEG 15 mei 1986, 222/84 (Johnston) Jur. 1984, p. 1651, r.o. 17 tot en met 21; HvJEG 22 januari 1975, 55/74, (Robert Unkel), Jur. 1975, p. 9. Uit de jurisprudentie volgt dat niet alleen de bewijslast kan worden beheerst door het nationale recht, maar ook de vraag welke documenten door subsidieontvangers ten bewijze moeten worden overgelegd (HvJEG 28 juni 2007, C-1/06 (Bon Fleisch), Jur. 2007, p.1-5609 en HvJEG 9 november 2006, C-120/05 (Heinrich Schulze), Jur. 2006, p. 1-10745, r.o. 26), binnen welke termijn dit moet (HvJEG 21juni 2007, C-428/05 (Firma Laub) Jur. 2007, p.1-5069), de bewijskracht van documenten (HvJEG 22 januari 1975, 55/74 (Robert Unkel), Jur. 1975, p. 9) en de wijze waarop bijvoorbeeld door een nationaal uitvoeringsorgaan moet worden aangetoond dat sprake is van misbruik van het stelsel van uitvoerrestituties (HvJEG 14 december 2000, C-110/99 (Emsland-Starke), Jur. 2000, p.1-11569. HvJEG 11januari 2007, C-279/05 (Vonk Dairy Products BV/Productschap Zuivel), Jur. 2007, p. 1-239).
HvJEG 7juli 1981, 158/80 (Rewe), Jur. 1981, p. 1805, r.o. 43. Zie ook HvJEG 14 december 1995, C-312/93 (Peterbroeck), Jur. 1995, p. 1-4599; HvJEG 5 maart 1980, 265/78 (Ferwerda), Jur. 1980, p. 617, r.o. 10; HvJEG 27 maart 1980, gevoegde zaken 66, 127 en 128/79 (Salumi), Jur. 1980, p. 1237, r.o. 18.
Zie hieromtrent hoofdstuk 3, paragraaf 3.7.1.
Zie ook Kral 2008, p. 249.
Zie uitgebreid hoofdstuk 3, paragraaf 3.72 en 3.7.3.
Zie HvJEG 11 februari 1971, 39/70 (Norddeutsches Vieh- und Fleischkontor), Jur. 1971, p. 49; HvJEG 6 mei 1982, gevoegde zaken 146/81, 192/81 en 193/81 (BayWa), Jur. 1981, p. 1503, r.o. 29; HvJEG 11 juli 2002, C-210/00 (Kaserei Champignon Hofmeister), Jur. 2002, p. 1-6453, AB 2002, 392, m.nt. A.J.C. de Moor-van Vugt; HvJEG 9 oktober 2001, gevoegde zaken C-80/ 99 tot en met C-82/99 (Flemmer), Jur. 2001, p. 1-7211, r.o. 60 en HvJEG 19 september 2002, C-336/00 (Huber), Jur. 2002, p. 1-7699, r.o. 61.
Zie artikel 9, eerste lid, onder a, en onder iii, van de Verordening nr. 1290/2005. In dit artikel is bepaald dat de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en alle andere maatregelen vaststellen die nodig zijn om een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap te waarborgen en met name om door onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen.
Bonnes 1994, p. 93.
Zie Bonnes 1994, p. 93.
Hierop zal in paragraaf 42.52 afzonderlijk worden ingegaan.
Bonnes 1994, p. 93-94.
Zo geldt met betrekking tot het ELGF dat in de Verordening nr. 1290/2005 niet precies is geregeld in welke gevallen een Europese subsidie moet worden teruggevorderd. In de Commissieverordening nr. 1122/2009 zijn echter allerlei gedetailleerde sanctiebepalingen terug te vinden.
Het komt regelmatig voor dat een Europese subsidieverordening met betrekking tot bepaalde aspecten van de uitvoering van de Europese subsidie geen gemeenschappelijke regels bevat. Het kan ook voorkomen dat er wel gemeenschappelijke Europese regels bestaan, maar dat deze regels aanvulling behoeven. Voor zover het Europese recht, met inbegrip van de algemene beginselen, geen gemeenschappelijke voorschriften bevat, bijvoorbeeld met betrekking tot de controle op de naleving van de subsidieverplichtingen, de verdeling van de bewijslast, dan wel de procedure tot intrekking en terugvordering van de Europese subsidie, handelen de nationale autoriteiten op grond van het beginsel van loyale samenwerking bij de uitvoering van het Europese recht overeenkomstig de formele en materiële bepalingen van nationaal recht.1 Uit het arrest Rewe blijkt voorts dat nationale procesregels van toepassing zijn, voor zover geen gemeenschappelijke Europese regels zijn vastgesteld.2 In veel gevallen gaat het om nationale procedureregels, zoals regels inzake het indienen van de aanvraag, het verrichten van controles, de terugvordering van Europese subsidies en de rechtsbescherming.3 Om de in de Europese subsidieverordening neergelegde materiële regels niet hun volledige werking te ontnemen, wordt in dat geval op grond van het beginsel van loyale samenwerking aangenomen dat de lidstaten gehouden zijn nationale procedureregels vast te stellen dan wel toe te passen.4 Deze procedureregels moeten wel voldoen aan de beginselen van gelijkwaardigheid, effectiviteit en effectieve rechtsbescherming.5 Ook materiële bepalingen kunnen in een Europese subsidieverordening echter ontbreken, zoals de precieze voorwaarden om voor een Europese subsidie in aanmerking te komen, de subsidiabiliteitsregels met betrekking tot de kosten van een gesubsidieerd project en de subsidieverplichtingen die door de eindontvanger van de Europese subsidie in acht moeten worden genomen. Om de Europese subsidieverordening goed te kunnen uitvoeren zal ook hieromtrent nationaal recht moeten worden vastgesteld.
Het verdient opmerking dat niet te snel moet worden geconcludeerd dat over een bepaald onderdeel van de uitvoering van een Europese subsidieregeling geen gemeenschappelijke Europese regels bestaan. Uit de jurisprudentie van het Hof blijkt dat bij de uitvoering van verordeningen in de lidstaat alleen gebruik mag worden gemaakt van nationaal recht, voor zover dat voor de uitvoering van de desbetreffende verordening noodzakelijk is.6 Dit noodzakelijkheidsvereiste is inmiddels ook in sommige Europese subsidieverordeningen opgenomen.7 Voor zover de tekst van een bepaling uit een Europese subsidieverordening geen duidelijkheid biedt, kan uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie worden afgeleid dat bij de beoordeling van de vraag of nationaal recht noodzakelijk is, moet worden gekeken naar het doel en de strekking van de Europese verordening.8 Doel en strekking van een Europese subsidieverordening kan met zich brengen dat een Europese verordening op een bepaald punt uitputtend is bedoeld.9 In dat geval bestaat geen ruimte voor toepassing of vaststelling van nationaal recht.10 Doel en strekking van een bepaling kan echter ook tot de condusie leiden dat de bepaling niet uitputtend is bedoeld en derhalve voor nationale uitvoeringsorganen ter uitvoering daarvan ruimte bestaat om nationaal recht vast te stellen dan wel toe te passen. Bonnes leidt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie af dat om te bepalen wat het doel en de strekking is van een bepaling uit een verordening naar heel wat factoren moet worden gekeken. Ze noemt de considerans van de verordening, het nuttig effect en de context daarvan, de Europese verdragen, verwante regelingen van secundair Europees recht en internationale verdragen waartoe de EU is toegetreden en die bindend zijn voor de lidstaten.11 Het is bijvoorbeeld mogelijk dat uit een Europese subsidieverordening lijkt te volgen dat geen gemeenschappelijk regels bestaan, maar in een daaronder liggende Europese commissieverordening allerlei gedetailleerde regels omtrent controle en terugvordering kunnen zijn opgenomen.12 Het zal daarom veelal noodzakelijk zijn alle Europese subsidieverordeningen die op een bepaalde Europese subsidie betrekking hebben te raadplegen, om tot een oordeel te komen of á dan niet gemeenschappelijke Europese regels voor een bepaald onderwerp bestaan.
Het is voor de nationale wetgever en nationale uitvoeringsorganen geen eenvoudige zaak om vast te stellen in hoeverre het toegestaan dan wel noodzakelijk is om ter uitvoering van een Europese subsidieverordening nationaal recht vast te stellen dan wel toe te passen. In de volgende subparagraaf zullen diverse varianten worden weergegeven, waar relevant onder verwijzing naar de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Paragraaf 4.2.5.2 ziet op de situatie waarin omtrent een bepaald aspect van de uitvoering in het geheel geen gemeenschappelijke regels bestaan, maar moet worden geconcludeerd dat sprake is van een uitputtende Europese regeling en derhalve geen ruimte bestaat voor toepassing van (bestaand) nationaal recht. In paragraaf 4.2.5.3 wordt ingegaan op in Europese subsidieverordeningen neergelegde bepalingen die een expliciete opdracht bevatten tot het vaststellen van nationale uitvoeringsmaatregelen. Vervolgens is paragraaf 4.2.5.4 gewijd aan bepalingen in Europese subsidieverordeningen die weliswaar geen expliciete opdracht tot het vaststellen van nationaal recht inhouden, maar wel naar het nationale recht verwijzen. In paragraaf 4.2.5.5 ga ik in op bepalingen die voorschrijven dat de lidstaten de nodige maatregelen dienen te nemen om een bepaald resultaat te bereiken. Paragraaf 4.2.5.6 ziet ten slotte op bepalingen waarin is neergelegd dat de lidstaten de noodzakelijke financiële correcties dienen toe te passen. In paragraaf 4.2.5.7 volgt een tussenconclusie.