Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/8.7.3
8.7.3 Jurisprudentie art. 287a Fw
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS446099:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.m. Rb. Zwolle-Lelystad 17 maart 2008, zaaknummer 140590/FT-RK 08.10; Rb. Arnhem 31 maart 2008, LJN BC7662; Rb. Arnhem 17 april 2008, LJN BC9921; Hof Arnhem 17 april 2008, LJN BD1252; Rb. 's-Hertogenbosch 11 augustus 2008, LJN BE7655; Rb. Amsterdam 1 juli 2009, LJN BJ2313; Hof Leeuwarden 15 september 2009, LJN BJ8460; Rb. Amsterdam 22 september 2009, LJN BK1789; Rb. Roermond 6 oktober 2009, LJN BJ9355 en Hof 's-Gravenhage 27 oktober 2009, LJN BK1432. Zie ook Nethe, Tvl 2009, p. 113 e.v., die een overzicht geeft over de rechtspraak van 2008.
Rb. Arnhem 31 maart 2008, LJN BC7662.
Vgl. Von Burg, Jungmann en Schruer, Schuldsanering, 2008/2, p. 1 e.v.
Niet uit iedere uitspraak over art. 287a Fw kan worden opgemaakt dat een buitengerechtelijke regeling in ieder geval aan een aantal basisvoorwaarden dient te voldoen, wil een weigerachtige schuldeiser kunnen worden gedwongen aan een buitengerechtelijke regeling mee te werken. Vgl. Rb. Rotterdam 22 februari 2008, LJN BC5193; Rb. Zwolle-Lelystad 17 maart 2008, zaaknummer 140590 en Rb. Arnhem 17 april 2008, LJN BH5065.
Vgl. de paragrafen hiervoor.
Rb. Zwolle-Lelystad 17 maart 2008, zaaknummer 140590, onder punt 4.
De weigerachtige schuldeiser heeft echter hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de beslissing aangehouden, omdat het dossier van de schuldenaar nog niet volledig was. Hof Arnhem 10 juli 2008, LJN BD6836.
Vgl. Von Burg, Jungmann en Schruer, Schuldsanering 2008/3, p. 10 e.v.
Na de invoering van art. 287a Fw op 1 januari 2008 is hierover een aantal uitspraken verschenen.1 Uit de vonnissen kan worden opgemaakt dat de rechtbanken op verschillende wijzen omgaan met de verplichte belangenafweging van art. 287a Fw. Hiervoor is aangegeven dat voor de invoering van art. 287a Fw de rechtbanken ook hun eigen stramien hierin bleken te volgen. Niettemin kon uit de grote schare jurisprudentie een aantal criteria worden gehaald, die in ieder geval bij de belangenafweging diende te worden getoetst. De rechtbank Arnhem laat in haar uitspraak zien zich hiervan bewust te zijn.
"Blijkens de wetsgeschiedenis (..) bij de totstandkoming van art. 287a Fw. kan een groot aantal toetsingscriteria van belang zijn bij de beantwoording van deze vraag. RSB is niet ter zitting verschenen. Dat neemt niet weg dat haar weigering moet worden beoordeeld in het licht van de feiten en omstandigheden van dit geval en in het bijzonder de bedoelde toetsingscriteria.
Allereerst is de vraag of het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd en of voldoende duidelijk is dat het bod het uiterste is waartoe verzoekster financieel in staat moet worden geacht. (...)
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet voldoende vast staat dat de uitvoering van het aanbod leidt tot een uitbetaling aan schuldeisers die als uiterste moet worden beschouwd waartoe verzoekster in staat is indien dit wordt afgezet tegen hetgeen in een wettelijke schuldsaneringsregeling geldt. (...) Tevens is van belang dat RBSA weliswaar de enige schuldeiser is die niet met de aangeboden schuldregeling heeft ingestemd, maar er in totaal slechts drie schuldeisers zijn. De vordering van RBS ad € 7.759,57 vormt 41% van de totale schuldenlast. RBS heeft aldus een 'zware' stem bij de beslissing over de schuldregeling."2
De rechtbank is helder in haar overwegingen en afwegingen bij de beoordeling van het verzoek van art. 287a Fw. Zoals verwacht, hanteert de rechtbank in vergelijking met de rechtspraak vóór de invoering van art. 287a Fw, thans een aantal van dezelfde criteria bij de belangenafweging die in het kader van art. 287a Fw dient plaats te vinden. Bij de belangenafweging in het kader van art. 287a Fw is op de eerste plaats van belang dat het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd en dat daaruit voldoende duidelijk blijkt dat het aanbod van de schuldenaar het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht. Daarnaast moet het voorstel door een bureau schuldhulpverlening van een gemeente zijn getoetst, goed zijn onderbouwd en moet het voorstel de waarborgen beschrijven waaruit blijkt dat de betalingsverplichtingen zullen worden nagekomen.3 Het voorgaande dient te worden afgezet tegen het feit dat in de schuldsaneringsregeling de controle op de sollicitatieplicht streng wordt nageleefd en de wettelijke regeling daarnaast meer zekerheden biedt door het huisbezoek, onderzoek naar activa en de postblokkade.4 De voorwaarden die de rechtbank Arnhem in haar uitspraak van 31 maart 2008 hanteert, zijn evenwel basisvoorwaarden waaraan elk voorstel in ieder geval dient te voldoen.5 Uiteindelijk komt het aan op de belangenafweging in het concrete geval, waardoor de uitkomst steeds een andere kan zijn, ondanks de gelijkenissen in aanwezige voorwaarden. Zo is voor de rechtbank Zwolle niet van doorslaggevende betekenis geweest dat de weigerachtige schuldeiser een grote schuldeiser is:
"Verweerder heeft voorts aangevoerd - kort samengevat - dat aan zijn (tegen)stem, gelet op de hoogte van zijn vordering, zodanig gewicht toekomt dat een dwangakkoord daarmee kan worden tegengehouden. Hoewel verweerder moet worden toegegeven dat de mate waarin zijn vordering de totale schuldenlast bepaalt in beginsel niet zonder betekenis is, is dit gegeven niet doorslaggevend, mede gelet op de omstandigheid dat hij de enige van de 32 schuldeisers is die niet akkoord wil gaan."6
Het verweer van de weigerachtige schuldeiser dat verzoekers gelet op hun jonge leeftijd en hun verdiencapaciteiten in de toekomst in staat zullen zijn de vordering te voldoen, snijdt evenmin hout, omdat hiervoor onvoldoende is gesteld en gebleken. Voor de rechtbank is van doorslaggevende betekenis dat de uitkering krachtens het voorstel gunstiger is dan een eventuele uitkering in de schuldsaneringsregeling. Daarbij komt dat de schuldeiser op grond van het voorstel een uitkering ineens ontvangt, terwijl een uitkering in de schuldsaneringsregeling langer op zich zal laten wachten. Voor de rechtbank Zwolle speelt ten slotte mee dat verzoekers door het voorstel geen beroep hoeven te doen op de schuldsaneringsregeling. Het verzoek wordt daarmee toegewezen.7
Art. 287a Fw is nog jong. De beperkte rechtspraak die nadien is verschenen, laat evenwel zien dat de gehanteerde criteria bij de belangenafweging door de insolventierechter niet wezenlijk verschillen van de criteria die voordien door de kortgedingrechter werden gebruikt bij de vraag of aan de zijde van een weigerachtige schuldeiser tot deelneming aan een buitengerechtelijke regeling sprake was van misbruik van bevoegdheid. De door de wetgever met behulp van art. 287a Fw gewenste verandering dat schuldeisers eerder geneigd zijn met het voorstel in te stemmen, zie ik derhalve niet spoedig gebeuren.8