Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/8.7.2
8.7.2 Art. 287a Fw
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS444862:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken I 2006/07, 29 942, A, p. 2 e.v.
Art. 287a lid 7 Fw.
HR 12 augustus 2005, NJ 2006, 230 en JOR 2005/257.
Zie ook Wessels, Insolventierecht IX, par. 90651.
Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3, p. 17 en 18.
Rb. Almelo 4 februari 1998, JOR 1998/66, nt. Van der Heiden.
Advies Commissie Schone Lei II, p. 5.
Kamerstukken 12006/07, 29 942, C, MvA, p. 3.
In gelijke zin Brancheorganisatie van Bewindvoerders WSNP, brief van de Brancheorganisatie van Bewindvoerders WSNP, Kamerstukken I 2006/07, 29 942, C, MvA, p. 1 en 2. Anders: de Minister van Justitie, Kamerstukken 12006/07, 29 942, C, MvA, p. 1 e.v. Wetsvoorstel 29 942 is inmiddels op 1 januari 2008 in werking getreden (Wet van 24 mei 2007, Stb. 192).
Kamerstukken I 2006/07, 29 942, C, MvA, p. 2.
Krachtens duidelijke afspraak of via uitleg van de overeenkomst. Vgl. HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Haviltex) en HR 31 januari 1992, NJ 1992, 686 (Van der Hoeven/ Comtu).
Om het minnelijke traject sterker te bevorderen en een meer effectieve werking van de schuldsaneringsregeling te bewerkstelligen, heeft de wetgever in aansluiting op art. 285 Fw de al eerder genoemde gedwongen schuldregeling van art. 287a Fw geïntroduceerd.
Art. 287a Fw luidt voor zover hier van belang als volgt:
1. De schuldenaar kan in het verzoekschrift, bedoeld in art. 284, eerste lid, de rechtbank verzoeken één of meer schuldeisers die weigert of weigeren mee te werken aan een voor indiening van het verzoekschrift aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
(...)
5. De rechtbank wijst het verzoek toe indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Artikel 300 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing.
6. Indien de rechtbank het verzoek toewijst, veroordeelt de rechtbank de schuldeiser die instemming met de schuldregeling heeft geweigerd, in de kosten.
7. Indien de rechtbank het verzoek afwijst, beslist zij op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, indien de schuldenaar het verzoek daartoe handhaaft.1
De gedwongen schuldregeling van art. 287a Fw is een novum in de Faillissementswet. Ons recht kent weliswaar de zogenoemde dwangakkoorden in de Faillissementswet, waardoor schuldeisers tegen hun wil gebonden raken aan een wettelijk akkoord, maar deze gedwongen gebondenheid wordt gerechtvaardigd door enerzijds het saneringsbelang van de schuldenaar en anderzijds het feit dat de wettelijke regeling de belangen van de schuldeisers op voldoende wijze waarborgt. De gedwongen schuldregeling van art. 287a Fw is evenwel van andere orde, omdat de totstandkoming van een buitengerechtelijke regeling niet plaatsvindt binnen de dwingende wettelijke kaders, maar wordt beheerst door de contractsvrijheid en derhalve in beginsel vrij is van rechterlijk toezicht. In art. 287a Fw wordt de gedwongen schuldregeling overigens niet nader uitgewerkt. De wetgever heeft de regeling eenvoudig willen houden, om op deze wijze een succesvolle afronding van het minnelijke traject te kunnen bevorderen. Door de regeling van art. 287a Fw kan een minnelijke regeling worden afgedwongen, zodat daarmee een wettelijke schuldsaneringsregeling kan worden voorkomen. Het spreekt voor zich dat de regeling alleen geldt voor de schuldenaar die natuurlijk persoon is. De schuldenaar doet het verzoek van de gedwongen schuldregeling tegelijkertijd met het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechter beoordeelt eerst het verzoek van art. 287a Fw. Wordt het verzoek van art. 287a Fw afgewezen, dan zal aan de schuldenaar worden gevraagd of hij het schuldsaneringsverzoek handhaaft.2
Uit de hiervoor besproken rechtspraak van de Hoge Raad blijkt een weigerachtige schuldeiser slechts onder zeer bijzondere omstandigheden gedwongen te kunnen worden zijn medewerking te verlenen aan een buitengerechtelijke regeling.3 De rechter zal zich moeten vergewissen of de weigerachtige schuldeiser ex art. 3:13 lid 2 BW misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid door niet met de buitengerechtelijke regeling in te stemmen. Er dient een belangenafweging plaats te vinden tussen de schuldenaar en de weigerachtige schuldeiser. De gedwongen schuldregeling van art. 287a Fw kan min of meer worden gezien als een codificatie van lagere rechtspraak betreffende de veroordeling van een weigerachtige schuldeiser tot deelneming aan een buitengerechtelijke regeling. De bewoordingen van art. 287a Fw zijn immers nagenoeg van gelijke strekking als art. 3:13 lid 2 BW slot, waardoor een verzoek van art. 287a Fw op dezelfde wijze dient te worden beoordeeld.4 Dit blijkt tevens uit de memorie van toelichting bij art. 287a Fw:
"Het criterium op grond waarvan de rechter over de gedwongen instemming oordeelt, zal luiden dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het belang van de schuldenaar dat door die weigering wordt geschaad.
(...)
Bij de belangenafweging zullen de volgende omstandigheden een rol kunnen spelen (zie o.a. Rb. Almelo 4 februari 1998, JOR1998, 66 en Pres. Rb. Zwolle 2 februari 2001, KG 2001, 136, Schuldsanering 2001 113)."5
De omstandigheden die vervolgens door de wetgever worden opgenoemd, zijn ontleend aan Van der Heiden in zijn annotatie onder een uitspraak van de rechtbank Almelo.6 In het eerder genoemde arrest van 2005 legt de Hoge Raad bij de beoordeling van het verzoek tot medewerking aan een buitengerechtelijke regeling een zwaardere toets aan. Overigens gaat de Commissie Schone Lei II in haar advies bij de vraag hoe het verzoek van art. 287a Fw dient te worden beoordeeld, uit van dezelfde criteria als de wetgever.
"De exacte criteria voor het afdwingen van een schuldregeling zijn aan de wetgever om te formuleren. De commissie meent dat dit los moet staan van welke meerderheid dan ook, maar dat duidelijk moet zijn dat crediteuren in een minnelijke schuldregeling een hogere c.q. snellere aflossing krijgen dan in een wettelijk traject te verwachten is. Meer in het algemeen kan aansluiting gezocht worden bij de in kort geding ontwikkelde jurisprudentie op dit punt. Indien via deze weg alsnog een schuldregeling tot stand komt, komt de rechter niet meer toe tot behandeling van het verzoek om toepassing van de Wsnp. In dat geval is het tien-jaarcriterium voor een nieuw verzoek niet van toepassing.
De commissie realiseert zich dat het verlenen van werking ten opzichte van alle schuldeisers problematisch is als schuldeisers niet worden opgeroepen. Daarom adviseert zij deze opgelegde schuldregeling enkel te laten gelden tussen de betrokken schuldeisers en er geen homologatieprocedure aan te verbinden."7
De wetgever heeft uitdrukkelijk het Payroll-arrest van de Hoge Raad voor zover het een art. 287a Fw-procedure betreft opzij gezet en de in de lagere rechtspraak ontwikkelde criteria op het punt van de gedwongen schuldregeling van toepassing verklaard op een art. 287a Fw-procedure. Dit valt op te maken uit de reactie van de minister op de brief van de Brancheorganisatie van Bewindvoerders WSNP (hierna: BBW), waarin BBW zich uitspreekt over de negatieve gevolgen van het Payroll-arrest van de Hoge Raad voor de gedwongen schuldregeling van art. 287a Fw. De minister:
"Wat betreft de door BBW gestelde negatieve gevolgen van het Payroll-arrest van de Hoge Raad voor de gedwongen schuldregeling, zij hier opgemerkt dat deze jurisprudentie niet gebaseerd is, ook niet via anticipatie, op de regeling uit het wetsvoorstel, maar is gebaseerd op het algemene leerstuk van misbruik van bevoegdheid op basis van artikel 3:13 BW.
(...)
Daarnaast is in de memorie van toelichting de hiervoor reeds aangehaalde opsomming van omstandigheden opgenomen, om aan te geven wanneer de gedwongen schuldregeling geacht moet worden met voldoende waarborgen te zijn omkleed en wanneer het belang van de weigerachtige schuldeiser in verhouding tot alle overige belangen geacht kan worden slechts een gering gewicht in de schaal te leggen."8
Hiervoor is uiteengezet dat art. 287a Fw beschouwd kan worden als een codificatie van lagere rechtspraak inzake de verplichte medewerking van een weigerachtige schuldeiser aan een buitengerechtelijke regeling. Benadrukt dient overigens te worden dat de rechter die op grond van art. 287a Fw zou oordelen dat een weigerachtige schuldeiser gebonden is aan een buitengerechtelijke regeling, dit oordeel niet tot gevolg heeft dat gesproken kan worden van een zogenaamd 'buitengerechtelijk dwangakkoord'. Het oordeel van de rechter ziet immers slechts op deze weigerachtige schuldeiser(s) en door toewijzing van het verzoek wordt slechts deze schuldeiser(s) aan de buitengerechtelijke regeling gebonden. Een verder, meer algemeen bereik krijgt de regeling derhalve niet. Er is geen sprake van een wettelijk 'dwangakkoord' met eenzelfde bereik en met dezelfde rechtsgevolgen als een akkoord in de zin van de Faillissementswet.
Het verzoek tot medewerking aan een buitengerechtelijke regeling waar de rechter tot voor kort in kort geding over oordeelde, is door de wetgever verplaatst naar de insolventierechter in het kader van een verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling. Een van de belangrijkste doelstellingen van wetsvoorstel 29 942 was om de werklast van de rechterlijke macht te verlichten. Het is nog maar de vraag of deze doelstelling in de toekomst zal worden bereikt. Zoals ik het thans kan overzien, zal de werklast van de kortgedingrechter door art. 287a Fw slechts worden verschoven naar de toch al overbelaste insolventierechter.9 Deze laatste mag dan beschikken over een uitgebreider en vollediger dossier en door zijn specialisatie beter zijn geëquipeerd dan de kortgedingrechter, hij dient ingevolge art. 287a lid 5 Fw wel eenzelfde toets aan te leggen als de kortgedingrechter bij de beoordeling van de vraag of één of meer schuldeisers in redelijkheid hun stem aan een buitengerechtelijke regeling hebben kunnen onthouden.
Door de al eerder genoemde Brancheorganisatie van Bewindvoerders WSNP is jegens de Minister van Justitie de vrees geuit dat schuldhulpverleners over onvoldoende middelen beschikken om te onderzoeken of een schuldeiser zich ten onrechte tegen een minnelijke regeling verzet. De minister heeft hierop als volgt geantwoord:
"Weliswaar kent het minnelijke traject geen postblokkade en huisbezoek, maar die zijn noodzakelijk als controlemechanismen voor het wettelijk traject, dat immers na succesvolle afronding het veel ingrijpender rechtsgevolg heeft dat de vorderingsrechten van schuldeisers worden omgezet in natuurlijke verbintenissen. Postblokkades en huisbezoeken zijn maatregelen die diep ingrijpen in de privacy van de schuldenaar en die niet passen bij een meerpartijenovereenkomst als de minnelijke schuldregeling. Overigens deel ik de vrees van BBW op dit punt niet."10
Bij het antwoord van de minister kan echter worden opgemerkt dat bij een minnelijke schuldregeling hetzelfde ingrijpende rechtsgevolg kan ontstaan als bij het wettelijk traject, zij het dat het rechtsgevolg niet van rechtswege ontstaat. Dat neemt niet weg dat ook bij een minnelijke schuldregeling kan worden overeengekomen dat de niet-voldane gedeelten van de vorderingsrechten omgezet worden in natuurlijke verbintenissen.11 Mijns inziens is dit de clou van een minnelijke regeling en wordt de saneringsgedachte juist hierin gevonden. Het volgen van het minnelijke traject heeft weinig zin indien de schuldenaar nadien door zijn schuldeisers voor het restant kan worden aangesproken. Minnelijke regelingen gaan daarom veelal zelfs een stap verder dan het wettelijke traject en de buitengerechtelijke regelingen worden veelal zodanig geformuleerd dat de niet-voldane gedeelten van de vorderingen worden kwijtgescholden.12
Een weigerachtige schuldeiser die door de rechter ingevolge art. 287a Fw is veroordeeld tot medewerking aan de buitengerechtelijke regeling, staat in beginsel hetzelfde arsenaal aan vorderingen ten dienste als een schuldeiser die vrijwillig tot de buitengerechtelijke regeling is toegetreden. Zij het dat een gedwongen schuldeiser geen beroep kan doen op een wilsgebrek in de zin van art. 3:44 BW en art. 6:228 BW vanwege het niet voldoen aan de daarin gestelde vereisten. Van een gedwongen schuldeiser kan immers niet worden gezegd dat hij partij is geworden door de onjuiste voorstelling/het bedrog, maar door het vonnis. Evenmin kan hij zeggen dat hij de overeenkomst zonder de onjuiste voorstelling/het bedrog niet zou hebben gesloten. Dit wordt ook door de minister onderkend:
"Als ten gevolge van rechtshandelingen van de nieuwe schuldeisers - beslaglegging, faillissementsaanvraag - de schuldenaar zijn verplichtingen uit de schuldregelingsovereenkomst niet meer kan nakomen, hebben zowel de vrijwillig als de gedwongen aan de schuldregeling deelnemende schuldeisers de mogelijkheid een beroep te doen op ontbinding van de overeenkomst wegens wanprestatie (artikel 6:265 BW). De vrijwillig aan de schuldregeling deelnemende schuldeisers kunnen daarnaast een beroep doen op vernietiging van de regeling wegens dwaling (artikel 6:228 BW) of bedrog (artikel 3:44 BW). Een gedwongen deelnemende schuldeiser zal geen beroep kunnen doen op dwaling, omdat zij als een wilsgebrek wordt aangemerkt en het vonnis van de rechter juist in de plaats van de wilsbepaling van de schuldeiser is gekomen. Een schuldeiser die door een onherroepelijk vonnis aan de regeling is gebonden kan onder omstandigheden wellicht een procedure tot herroeping van het vonnis krachtens artikel 382 e.v. Rv aanspannen, met een beroep op bedrog, het gebruik van stukken die vals zijn of het achterhouden van stukken van beslissende aard."13