Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.2.3.6.1
2.2.3.6.1 Rechtbank Gelderland 26 januari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:498
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859157:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een deel van deze paragraaf is eerder verschenen: De Vries, JERF 2022 16-12-2022/afl. 8, p. 920-922 (nr. 160).
Zie over deze tuchtprocedure uitgebreid par. 3.6.1.
De rechtbank corrigeert evenmin op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid. In par. 2.7.7 komt dit nader aan de orde.
Hof Amsterdam 13 mei 1976, ECLI:NL:GHAMS:1976:AC3027, NJ 1977/213. Zie over deze uitspraak nader par. 1.6.1.1. Zoals in par. 1.6.1.1 reeds opgemerkt is de term ‘krankzinnigengesticht’ in 1988 vervangen door ‘psychiatrisch ziekenhuis’. Sinds 1 januari 2020 bestaat de regeling van de zorgmachtiging op grond van art. 2.3 Wfz, Bleichrodt & Vegter 2021, p. 171-172.
Ministerie van Veiligheid en Justitie, 11 oktober 2022, kenmerk: 4 2 41955.
Zie hierover par. 2.2.3.
Zie hierover par. 2.2.3.
Zie daarover nader par. 2.2.3.5.
In par. 2.3.4 wordt nog een iets verdere uitbreiding bepleit.
In par. 2.2.3.2 komt aan de orde dat een strafbeschikking met een veroordeling gelijkgesteld moet worden. Enkel bij het delict kinderdoodslag is het mogelijk een strafbeschikking op te leggen. Dat ligt vanwege de ernst van het feit niet voor de hand. Reden waarom enkel wordt gesproken over een bewezenverklaring door de strafrechter.
Zie daarover par. 2.7.7.
Brans & Raaijmaakers, TE 2022/06, p. 126-127.
Zie hierover ook par. 2.2.3.
Kamerstukken II 1999/00, 26822, nr. 3, p. 3 (MvT).
Zie ook par. 1.6.1.1.
Zie hierover ook par. 2.2.3.
Brans & Raaijmaakers, TE 2022/06, p. 127. Brans & Raaijmaakers verwijzen later in hun bijdrage (p. 129) nog naar een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 8 maart 2021, ECLI:NL:OGEAC:2021:40 waarin het Gerecht volgens hen tot onwaardigheid komt zonder strafrechtelijke veroordeling. Dat is niet juist. Het Gerecht merkt op dat van onwaardigheid geen sprake is, maar corrigeert op de grond dat de vererving door de man zo stuitend is dat het onaanvaardbaar is voor het rechtsgevoel dit toe te laten. Zie over deze uitspraak nader par. 2.2.3.5.1.
Brans & Raaijmaakers, TE 2022/06, p. 127.
Zie par. 1.6.1.1.
KvN Amsterdam 14 november 2019, ECLI:NL:TNORAMS:2019:23, zaaknummer 665626 /NT 19-23. Zie over deze tuchtuitspraak nader par. 3.6.1 en de uitspraak uit 1976 par. 1.6.1.1.
Brans & Raaijmaakers, TE 2022/06, p. 127-128.
Rb. Maastricht 26 september 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BX9399. Zie over deze uitspraak nader par. 2.3.4 en 2.7.3.
Zie over de redelijkheid en billijkheid nader par. 2.7 en voor de uitspraak van de Rb. Maastricht in het bijzonder par. 2.7.3.
Brans & Raaijmaakers, TE 2022/06, p. 130.
Zie hierover nader par. 2.7.
Het buiten beeld blijven van onwaardigheid, omdat een veroordeling ontbreekt wegens een strafuitsluitingsgrond, kan leiden tot onbevredigende resultaten. Een voorbeeld daarvan betreft een uitspraak van de Rechtbank Gelderland uit 2022.1 De feiten liggen als volgt.
M en V zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. M brengt na een langere periode van geweld op gruwelijke wijze V om het leven. De strafrechter komt tot een bewezenverklaring van doodslag. Vervolgens dient de strafrechter zich uit te laten over de strafbaarheid van M. Hij heeft het feit gepleegd onder invloed van een psychose. M stond tijdens het plegen van de doodslag volledig los van de realiteit en verkeerde in een waanwereld. Zijn gedragingen zijn volledig bepaald door zijn psychose. De strafrechter concludeert dat de doodslag M wegens een ziekelijke stoornis niet kan worden toegerekend. Hij wordt ontslagen van alle rechtsvervolging en is dus niet veroordeeld. Zijn gedrag is strafrechtelijk echter niet zonder gevolg gebleven. Aan hem is de maatregel van tbs opgelegd, hetgeen geen veroordeling betreft. Deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd en door een ingetrokken cassatieberoep onherroepelijk geworden.
Met deze strafrechtelijke procedure is de kous niet af. Gedurende de loop van de strafrechtelijke procedure geeft de notaris op verzoek van de broer van V een verklaring van erfrecht af. Hierin concludeert de notaris ten onrechte dat M onwaardig is. De tuchtrechter heeft de notaris hiervoor op de vingers getikt en de maatregel van een waarschuwing opgelegd. De Kamer voor het Notariaat (KvN) oordeelt dat voor de notaris onmogelijk kon vaststaan dat van onwaardigheid sprake is. Het is volgens de KvN aan de civiele rechter om vast te stellen of (uiteindelijk) toch sprake is van onwaardigheid.2 Door de Rechtbank Gelderland is dat oordeel geveld: van onwaardigheid is volgens de rechtbank geen sprake.3
De bewoordingen van artikel 4:3 lid 1 sub a BW zijn duidelijk volgens de rechtbank. Er is een onherroepelijke veroordeling nodig om tot onwaardigheid te concluderen. De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van de broer van V dat artikel 4:3 lid 1 BW ruim dient te worden opgevat, in die zin dat daaronder ook valt het geval waarin de dader is ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het strafbare feit hem wegens ontoerekeningsvatbaarheid niet kan worden toegerekend. De broer zijn beroep op de parlementaire geschiedenis faalt. Daarin zijn volgens de rechtbank geen argumenten te vinden die zijn standpunt ondersteunen. In de wetsgeschiedenis van artikel 4:3 BW is nergens expliciet gesproken over de situatie dat een verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat het strafbare feit hem wegens een geestelijke stoornis niet kan worden toegerekend, aldus de rechtbank. Wel is bij de totstandkoming van het nieuwe erfrecht diverse malen benadrukt dat voor onwaardigheid een (onherroepelijke) veroordeling vereist is, waarbij de rechtbank verwijst naar een gedeelte waarin gesproken wordt over onwaardigheid in relatie tot euthanasie.
Verder vindt de rechtbank in de parlementaire stukken niet terug dat de wetgever de uitbreiding van de onwaardigheidsgronden in het huidige BW heeft gebaseerd op de door de broer geformuleerde rechtsbeginselen en dat daaruit dan zou voortvloeien dat – in tegenspraak met de duidelijke tekst van de wet – een veroordeling niet is vereist. Uit de kamerstukken blijkt wel dat een Kamerlid melding maakt van een juridisch tijdschriftartikel waarin deze beginselen worden genoemd. Ook onder het oude recht bestaat de eis van een veroordeling waarbij de rechtbank verwijst naar de uitspraak van het Hof Amsterdam uit 1976 en opmerkt dat onwaardigheid niet intrad bij ontslag van alle rechtsvervolging met oplegging van de maatregel van opneming in een krankzinnigengesticht.4 Volgens de rechtbank blijkt nergens uit dat de wetgever bij de invoering van artikel 4:3 BW hiervan beoogt af te wijken. De onwaardigheidsgronden zijn weliswaar uitgebreid ten opzichte van het oude recht, maar er is geen reden te veronderstellen dat deze uitbreiding verband houdt met een gewijzigde opvatting over de toepassing van de in artikel 4:3 lid 1 sub a BW opgenomen onwaardigheidsgrond en de in dat verband geëiste (onherroepelijke) veroordeling.
De rechtbank volgt de broer evenmin in zijn betoog dat de onherroepelijke veroordeling als eis in de wet is opgenomen om bewijsproblemen voor het slachtoffer of diens erfgenamen te voorkomen en dat het strafbare feit behalve uit het strafvonnis ook uit andere gegevens kan blijken. De bewijsproblemen waar in de parlementaire stukken over wordt gesproken, hebben betrekking op de tweede onwaardigheidsgrond en niet op artikel 4:3 lid 1 sub a BW.
De rechtbank komt tot de slotsom dat op grond van de tekst van artikel 4:3 BW en de parlementaire geschiedenis geconcludeerd moet worden dat de wetgever ervoor heeft gekozen geen onwaardigheid te laten intreden in het geval dat een strafbaar feit niet aan de dader kan worden toegerekend vanwege een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Rechtvaardiging hiervoor kan worden gevonden in het feit dat de dader dan geen verwijt kan worden gemaakt van het plegen van het strafbare feit en dus niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn daad, aldus de rechtbank. De onwaardigheid kan niet worden gegrond op het feit dat de man met opzet heeft gehandeld en dit door de strafrechter ook is vastgesteld. Er dient onderscheid gemaakt te worden tussen opzet en toerekenbaarheid. M heeft opzettelijk gehandeld, maar de daad is hem niet toe te rekenen. Van onwaardigheid is volgens de rechtbank geen sprake.
Deze uitspraak heeft de nodige stof doen opwaaien en heeft geleid tot Kamervragen.5 De minister van Rechtsbescherming begrijpt de maatschappelijke verontwaardiging die is ontstaan, maar wacht het hoger beroep af voordat hij gaat onderzoeken of het nodig is de onwaardigheidsgronden uit te breiden. De uitspraak in hoger beroep is recent gewezen en staat in de volgende paragraaf centraal.
Artikel 4:3 lid 1 sub a BW spitst zich toe op het ombrengen van de erflater en bevat het vereiste van een onherroepelijke veroordeling. De wetgever heeft deze eis welbewust gehandhaafd bij de invoering van het nieuwe erfrecht in 2003. Slechts een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling leidt tot onwaardigheid, zo volgt uit de parlementaire geschiedenis.6 Dat betekent dat de wetgever met de term ‘veroordeling’ in artikel 4:3 BW geen afwijkende civiele invulling heeft beoogd, maar de strafrechtelijke betekenis.7
De gronden van onwaardigheid zijn in 2003 uitgebreid, echter aan het vereiste van een strafrechtelijke veroordeling heeft de wetgever niet willen tornen. Dat deze uitbreiding gebaseerd is op de door de broer van V aangehaalde algemene rechtsbeginselen volgt daarbij niet uit de parlementaire geschiedenis. De rechtbank overweegt dan ook terecht dat uit de parlementaire geschiedenis niet volgt dat onder artikel 4:3 lid 1 sub a BW ook de situatie is te verstaan dat de dader is ontslagen van alle rechtsvervolging. Van een strafrechtelijke veroordeling is dan geen sprake. Wel geldt dat het vereiste van een onherroepelijke veroordeling op grond van jurisprudentie van het EHRM niet altijd gesteld mag worden.8 Het EHRM heeft niet geoordeeld dat ontslag van alle rechtsvervolging deze eis opzij zet.
Dat deze onwaardigheidsgrond uitdrukking geeft aan algemene rechtsbeginselen betekent echter niet, zoals de broer van V betoogt, dat M ook zonder strafrechtelijke veroordeling onwaardig is, omdat hij opzettelijk V heeft gedood. Enkel opzet is niet voldoende. Het feit dat de wet een (strafrechtelijke) veroordeling vordert, betekent dat de dader ook strafbaar moet zijn. Dat is bij M niet zo. De gedraging kan M niet worden toegerekend. Daarom wordt hij niet veroordeeld, maar ontslagen van alle rechtsvervolging.
Op grond van de parlementaire geschiedenis en de tekst van de wet is M niet onwaardig om te erven van V. Deze conclusie wringt met de ratio van onwaardigheid en bovendien strookt het niet met het rechtsgevoel dat M niet onwaardig wordt geacht om van V te erven, nadat hij haar op een vreselijke wijze om het leven heeft gebracht.
Aan onwaardigheid ligt (onder meer) de veronderstelling ten grondslag dat de erflater in de gevallen als genoemd in artikel 4:3 lid 1 BW niet wenst dat de onwaardige van hem erft. In onderhavige situatie kan de vraag gesteld worden of V gewild zou hebben dat M na het haar aangedane leed nog van haar zou erven. Ik waag dat te betwijfelen. Hierbij is nog van belang dat V, gelet op het feit dat zij door de ernstige misdraging(en) is overleden, zelf niet meer in staat is geweest M als erfgenaam uit te sluiten. De wetgever is dan aan zet om een voorziening te treffen. Gedacht zou kunnen worden aan het volgende.
Artikel 4:3 BW is op meerdere onderdelen strafrechtelijk geïnspireerd. Dat betekent echter niet dat het strafrecht op alle onderdelen gevolgd moet worden. Dat strafrechtelijk gezien strafbaarheid van de dader nodig is om tot een veroordeling te komen, betekent niet dat zonder meer dezelfde eis gehanteerd moet worden in het civiele recht. Onwaardigheid is een civiele grond van onbevoegdheid om te erven. Het is geen strafrechtelijke sanctie. Ik zou er niet voor willen pleiten de eis van een veroordeling geheel te schrappen, maar artikel 4:3 lid 1 BW uit te breiden. Toegevoegd zou bijvoorbeeld kunnen worden dat een bewezenverklaring door de strafrechter voor het opzettelijk ombrengen van de erflater eveneens onwaardigheid meebrengt.9 Ik zou niet willen aansluiten bij de maatregel die de strafrechter al dan niet oplegt. Of de dader wel of geen tbs-maatregel krijgt, doet voor onwaardigheid niet ter zake. Het gaat om de gedraging en dat is het ombrengen van de erflater. Wordt het opzettelijk ombrengen door de strafrechter bewezen verklaard, dan is dat enkele feit in mijn optiek voldoende.10 Hetzelfde geldt voor een poging tot, voorbereiding van of deelneming aan een dergelijk misdrijf.
Ook al zou een rechter in een dergelijk geval corrigeren op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid – wat naar mijn mening minder voor de hand ligt en hier door de Rechtbank Gelderland ook niet is gebeurd11 – dan blijft de conclusie dat de onwaardigheidsbepaling niet voldoet en aanpassing daarvan gewenst is.
Brans en Raaijmaakers bezien of contra legem toepassing op grond van de redelijkheid en billijkheid in een geval als het onderhavige uitkomst biedt. Hun zoektocht leidt langs een memorie van toelichting waarin niet wordt gesproken van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling, maar een onherroepelijke rechterlijke uitspraak. Daarmee kan volgens hen ook een onherroepelijke civiele uitspraak worden bedoeld.12 Die mening deel ik niet. Bij artikel 4:3 lid 1 sub a BW heeft de wetgever, en dat volgt uit de hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis, een strafrechtelijke veroordeling op het oog.13 Mijns inziens lijken de woorden in de door Brans en Raaijmaakers aangehaalde memorie van toelichting te wijzen in de richting van een verschrijving. In de bewuste memorie van toelichting wordt het volgende opgemerkt:
‘Lid 1 onder c wijkt, evenals lid 1 onder a, in zoverre naar de letter van de geldende wet af, dat sprake moet zijn van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak. De desbetreffende bepalingen van artikel 885 worden evenwel reeds thans zo opgevat.’14
Artikel 4:3 lid 1 sub a BW bevat niet de woorden onherroepelijke rechterlijke uitspraak. De wet spreekt over een veroordeling. Bovendien is het niet zo dat onder het oude recht de eis van een veroordeling als zodanig werd opgevat.15 In dat geval had het voor de hand gelegen als de wetgever bij artikel 4:3 lid 1 sub a en b BW in plaats van een veroordeling ook het begrip ‘rechterlijke uitspraak’ zou gebruiken. Uit de verdere parlementaire geschiedenis volgt naar mijn mening dat de wetgever hierin echter bewust heeft gekozen voor de term ‘veroordeling’ en daarmee een strafrechtelijke veroordeling beoogt.16 Brans en Raaijmaakers merken terecht op dat zowel in de rechtsliteratuur als de rechtspraak bij artikel 4:3 lid 1 sub a BW wordt uitgegaan van een strafrechtelijke veroordeling.17 Zij vervolgen dat de wetgever volgens hen de situatie van ontslag van alle rechtsvervolging wegens een geestelijke stoornis niet bij de totstandkoming van artikel 4:3 BW heeft betrokken waardoor de vraag voorligt of artikel 4:3 lid 1 sub a BW wel op deze omstandigheid van toepassing is.18 Hoewel niet expliciet besproken bij de totstandkoming van artikel 4:3 BW was er reeds jurisprudentie voorhanden waarin geen onwaardigheid was gevolgd bij ontslag van alle rechtsvervolging.19 Niettemin houdt de wetgever vast aan de eis van een strafrechtelijke veroordeling. Zoals de KvN het verwoordt heeft de wetgever in ieder geval bij de invoering van het huidige erfrecht in 2003 kennelijk geen afwijking beoogd van de reeds onder het oude recht ingezette lijn sinds het arrest van het Hof Amsterdam dat een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling is vereist voor onwaardigheid.20
Doordat in de literatuur en rechtspraak bij artikel 4:3 lid 1 sub a BW wordt uitgegaan van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling zien Brans en Raaijmaakers in het onderhavige geval ruimte voor een contra legem toepassing van de wet op grond van de redelijkheid en billijkheid nu volgens hen sprake is van niet ten volle in de wet verdisconteerde bijzondere omstandigheden die toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doet zijn met de algemeen erkende rechtsbeginselen dat die wetstoepassing achterwege moet blijven. Zij menen dat bij de toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid ten onrechte buiten beschouwing is gelaten dat M opzettelijk V om het leven heeft gebracht en de bedoeling van de wetgever is dat daaruit geen voordeel mag worden getrokken.21 Ter onderbouwing verwijzen Brans en Raaijmaakers nog naar een uitspraak van de Rechtbank Maastricht.22 In deze zaak heeft de vrouw hun dochter in Duitsland omgebracht. Vertaald naar Nederlands recht wordt zij ontslagen van alle rechtsvervolging. De vrouw is niet onwaardig, omdat van een veroordeling geen sprake is. De rechtbank oordeelt dat gelet op de zeer bijzondere omstandigheden van het geval bij de ontbinding van de huwelijksgemeenschap tussen de man en de vrouw dient te worden afgeweken van artikel 1:100 lid 1 BW. Niet uit het oog moet worden verloren dat de Rechtbank Maastricht hier oordeelt over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Dat is niet hetzelfde als onwaardigheid. Onwaardigheid is een harde bepaling die heel zwart wit is. Bij toepassing van artikel 1:100 BW kan het oordeel anders zijn. Dat geen sprake is van onwaardigheid, maakt niet dat in het huwelijksvermogensrecht eenzelfde conclusie moet volgen in die zin dat de vrouw recht heeft op goederen van haar dochter.23
Brans en Raaijmaakers komen tot de slotsom dat het bij ontslag van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid van de dader niet tot contra legem toepassing van de wet hoeft te komen, omdat wetsuitleg daaraan voorafgaat. Artikel 4:3 lid 1 sub a BW kan volgens hen in een dergelijke situatie zo worden uitgelegd dat onder een onherroepelijke veroordeling ook een onherroepelijke veroordeling door de civiele rechter kan worden begrepen. Zij concluderen tot slot dat een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling niet steeds vereist is, maar dat wetsuitleg en bijzondere omstandigheden ertoe kunnen leiden dat een onherroepelijke civielrechtelijke veroordeling eveneens volstaat.24
Mijns inziens biedt de wet geen ruimte voor de conclusie dat onder een veroordeling ook een civielrechtelijke veroordeling moet worden verstaan. Een aanpassing van de wet voor de situatie van ontslag van alle rechtsvervolging heb ik hiervoor gegeven. Rechtspraak van het EHRM kan meebrengen dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling niet meer geldt. In paragraaf 2.2.3.5 is dit aan de orde gekomen. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen weliswaar corrigerend werken als een persoon op grond van artikel 4:3 lid 1 BW niet onwaardig is, maar dat leidt er niet toe dat op die basis een civiele ‘veroordeling’ onwaardigheid doet intreden. Niet artikel 4:3 BW, maar artikel 6:2 BW vormt dan de grondslag voor het ontzeggen van voordeel uit de nalatenschap.25