De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.4.4:4.4.4 Vrijheid van meningsuiting van de leraar in verhouding tot de vrijheid van richting
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.4.4
4.4.4 Vrijheid van meningsuiting van de leraar in verhouding tot de vrijheid van richting
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949429:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vrijheid van meningsuiting van de leraar in het bijzonder onderwijs kan op grond van de vrijheid van richting en inrichting verder beperkt worden dan van andere leraren. Zoals geschetst in § 3.3.7 komt aan het bevoegd gezag van een bijzondere school immers benoemingsvrijheid toe. Dit houdt in dat het bevoegd gezag op basis van de vrijheid van richting en inrichting leraren mag selecteren, weren en instructies kan geven.1 De bijzondere school mag op grond van artikel 5, tweede lid, onder b, van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) direct onderscheid maken in het selectieproces van leraren op grond van godsdienst of levensovertuiging.
De leraar dient zich in beginsel te houden aan de voorschriften van de bijzondere school die zien op de religieuze of levensbeschouwelijke richting. Deze voorschriften kunnen eruit bestaan dat van de leraar verwacht wordt dat hij aan bepaald geloof aanhangt. Het CRM oordeelde bijvoorbeeld dat een leraar ontslagen mocht worden nadat zij een geloofsverandering had doorgemaakt en het lidmaatschap van de gereformeerde kerk had opgezegd.2 Zij onderschreef niet langer de grondslag van de school en voldeed niet langer aan de eis van kerklidmaatschap.3 Van een leraar mag ook verwacht worden dat hij zich onthoudt van het zichtbaar uitdragen van een andere overtuiging. Een katholieke school mocht bijvoorbeeld eisen dat een leraar geen hoofddoek mocht dragen.4 Aan de benoemingsvrijheid, en de beperking van de vrijheid van meningsuiting die dit met zich kan brengen, zijn grenzen. Zo moet het gemaakte onderscheid voortvloeien uit consistent, op de richting gebaseerd, personeelsbeleid.5 Ook speelt de zwaarte van de functie een rol bij de eisen die aan een werknemer gesteld mogen worden. Van een roostermaker mocht bijvoorbeeld niet geëist worden dat zij de richting van de school moest onderschrijven.6