Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/4.3.3.2:4.3.3.2 Optreden van het leger of de CIA
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/4.3.3.2
4.3.3.2 Optreden van het leger of de CIA
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233604:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook in een ander opzicht wringt de hiervoor besproken lagere rechtspraak mijns inziens met de in het vorige hoofdstuk besproken rechtspraak van het Hof. Meer in het bijzonder doel ik dan op het uitgangspunt dat, wanneer een inhoudelijke beoordeling van een achterliggende, politieke beslissing van de andere staatsmachten ter vormgeving van het buitenlands beleid als een political question heeft te gelden, hetzelfde geldt voor de wijze waarop het Amerikaanse leger en de CIA daaraan uitvoering hebben gegeven. Het optreden van het leger of de CIA kan door deze koppeling aan een achterliggende, politieke beslissing evenmin aan een inhoudelijke beoordeling worden onderworpen, hoe ingrijpend en in strijd met nationaal of internationaal recht dat optreden ook is of zou kunnen zijn. De vraag is hoe deze benadering zich verhoudt met de rechtspraak van het Hof waaruit volgt dat toepassing van nationaal en internationaal recht bij uitstek een taak is van de rechter.
Vooral de zaak Gilligan v. Morgan springt hierbij in het oog.1 Zoals beschreven, maakte het Hof in die zaak duidelijk dat de vaststelling van regels over de organisatie en inzet van de Nationale Garde als een political question heeft te gelden, om daar vervolgens uitdrukkelijk aan toe te voegen dat dit oordeel niet betekende dat het optreden van de Nationale Garde nimmer aan een rechtmatigheidsoordeel kan worden onderworpen. Het Hof overwoog:
‘In concluding that no justiciable controversy is presented, it should be clear that we neither hold nor imply that the conduct of the National Guard is always beyond judicial review or that there may not be accountability in a judicial forum for violations of law or for specific unlawful conduct by military personnel, whether by way of damages or injunctive relief.’2
Moeilijk valt in te zien waarom hetzelfde niet zou kunnen gelden voor het handelen van het Amerikaanse leger of de CIA. Anders dan de lagere rechter veronderstelt, is mijns inziens niet steeds gezegd dat een beoordeling van dat handelen ook de wijsheid en rechtmatigheid van een achterliggende politieke of militaire beslissing ter discussie zou stellen. Zoals in hoofdstuk 7 zal blijken, maakt de Nederlandse rechter evenmin een dergelijke koppeling.3