Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.3.1.3
5.3.1.3 Wisselwerking tussen wederrechtelijkheid en lex certa
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715404:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rozemond 1999, p. 124. Vgl. Loth 1999, p. 216.
Rozemond 1999, p. 125. Vgl. Bix 2003, p. 290.
Zo kun je je afvragen of de verdachte in C.R. v. Verenigd Koninkrijk nu daadwerkelijk zou hebben gemeend dat de verkrachting van zijn echtgenote niet strafbaar was. Vgl. Loth 1999, p. 219.
Groenhuijsen 2005, p. 794-795. Vgl. Rozemond 1999, p. 125; ’t Hart 1998, par. 2. Rozemonds voorbeeld van aansprakelijkheid voor het bezit van kinderporno (Rozemond 1999, p. 124-125) vind ik overigens niet zo overtuigend. Sterker vind ik Van Klinks voorbeeld van het Elektriciteit-arrest. Van Klink stelt de (retorische) vraag of de tandarts redelijkerwijs kon vermoeden dat hij onder de strafbepaling voor diefstal viel (Van Klink 2001, p. 686). Los van de exacte definitie van het bestanddeel ‘goed’, zal het voor de tandarts vooraf duidelijk zijn geweest dat hij met zijn handelingen een directe inbreuk maakte op de rechten van de energieleverancier.
Zo weegt ook het EHRM de maatschappelijke opvattingen en morele verontwaardiging over de aard van het feit en de inhoud van het voorschrift mee in haar voorzienbaarheidsoordeel (Groenhuijsen & Kristen 2001, p. 340 en 342-343; De Hullu 1996, p. 514). Dat gebeurt allereerst over de band van het gewone taalgebruik (zie bijvoorbeeld: EHRM 25 november 1997, ECLI:CE:ECHR:1997:1125JUD002434894 (Grigoriades v. Griekenland), par. 38. Zie ook: Ashworth 1991, p. 427). Maar ook als het EHRM spreekt over “[t]he [manifestly] debasing character of rape”, een “unacceptable idea” en een “civilised concept of marriage”, blijkt daaruit een normatief oordeel (zie bijvoorbeeld: EHRM 22 november 1995, ECLI:CE:ECHR:1995:1122JUD002016692 (S.W. v. Verenigd Koninkrijk), par. 44; EHRM 22 november 1995, ECLI:CE:ECHR:1995:1122JUD002019092 (C.R. v. Verenigd Koninkrijk), par. 42). Vgl. ook: Brouwer 1999, p. 205; Loth 1999, p. 210. Het blijft mijns inziens overigens in het midden of het Hof hiermee duidt op een zeker vaststaande (welhaast ‘natuurrechtelijke’) opvatting of op veranderlijke maatschappelijke opvattingen. Regels waarbij het rechtsgevoel weinig richting geeft, vinden we vooral in het bijzonder strafrecht. Het gaat dan bovendien regelmatig om regels voor professionele marktdeelnemers (zie ook §5.3.1.2).
Simester & Von Hirsch 2011, p. 64.
Groenhuijsen 2002, p. 26. Schreiber wijst erop dat er naar Duits recht ook sprake is van schuld als de dader uit anderen hoofde dan de strafwet wist dat een gedraging verboden was – bijvoorbeeld op grond van het privaatrecht of het gewoonterecht – en ook als de dader de strafmaat niet kende (Schreiber 1976, p. 211). Dat zou betekenen dat bijvoorbeeld het verbod op terugwerkende kracht en het verbod op interpretatie naar analogie niet zouden hoeven gelden voor gedragingen die reeds in een ander rechtsgebied zijn verboden (Schreiber 1976, p. 212). Vooral artikel 6:162 BW zou dan in veel gevallen als grondslag kunnen fungeren om het legaliteitsbeginsel te omzeilen. Strafverhoging met terugwerkende kracht zou ook geen probleem zijn, omdat kennis van de strafmaat niet relevant is voor de vaststelling van schuld (Schreiber 1976, p. 212).
Bouwer 1999, p. 205; Rozemond 1999, p. 125. Neem als voorbeeld iemand die er na zorgvuldige raadpleging van het Wetboek van Strafrecht bewust voor kiest een slachtoffer met een gebrekkige geestelijke ontwikkeling te verkrachten (artikel 243 Sr) in plaats van een wilsbekwaam slachtoffer (artikel 242 Sr) omdat daar een lager strafmaximum voor geldt (acht jaar in plaats van twaalf jaar). Vgl. ook: HR 28 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0653, NJ 1989/658, m.nt. ’t Hart (Ansje).
Pompe 1945, p. 52. Pompe noemt als voorbeelden de verboden op moord en diefstal en het verbod om medeburgers aan de vijand over te leveren. Westen betoogt in vergelijkbare zin dat wetgeving die met terugwerkende kracht wordt ingevoerd niet onvoorzienbaar hoeft te zijn als het voor de burger ten tijde van het plegen van het delict maar duidelijk was dat de opvattingen in de samenleving zich richting strafbaarstelling bewogen (Westen 2007, p. 238).
De Hullu 2021, p. 90. Recenter merkte de regering in het kader van de Wet Internationale Misdrijven (WIM) op dat bij buitengewoon ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht niet eenvoudig zal kunnen worden volgehouden dat het onvoorzienbaar was dat dergelijke schendingen strafbaar waren (Kamerstukken II 2001/02, 28337, nr. 3, p. 5; Kamerstukken II 2001/02, 28337, nr. 6, p. 5).
Pompe 1945, p. 52.
Rozemond 1999, p. 124; Pompe 1945, p. 51.
Pompe 1945, p. 53. Het afnemende belang dat wordt gehecht aan de rechtszekerheid voor het individu en het toenemende belang van het dienen van het rechtsgevoel van de samenleving is bijvoorbeeld ook te zien in het verjaringsartikel (artikel 70 Sr). Waar vóór 2006 levenslange delicten na 18 jaar verjaarden, is in 2006 bepaald dat levenslange delicten nooit meer verjaren. Sinds 2013 verjaren ook delicten waar een maximale gevangenisstraf van 12 jaar of meer op staat niet meer.
Groenhuijsen 1987, p. 33. Kritisch daarover: Nan 2011, p. 98.
Indirect vertoont dit overeenkomsten met de liberale benadering. Immers, hoe hoger de straf, des te sneller zal het in zijn algemeenheid evident zijn dat het gedrag strafwaardig is.
Hol & Gribnau 1999, p. 184; Loth 1999, p. 216; Heijder 1979, p. 141. Heijder spreekt van constitutieve wetten tegenover declaratieve wetten.
Loth 1999, p. 216; Heijder 1979, p. 144.
Loth 1999, p. 216; Scheltema 1989, p. 17; Heijder 1979, p. 150.
Er zijn meer problemen met de in §5.2 geschetste liberale visie op wetgeving. Het idee dat burgers enkel door het lezen van de wet kunnen weten wat verboden is, gaat uit van een onrealistische papieren werkelijkheid voor zover daarmee de suggestie wordt gewekt dat mensen in de praktijk daadwerkelijk wetten lezen.1 De gemiddelde burger leest geen wetten – laat staan Kamerstukken of jurisprudentie – om na te gaan wat verboden is.2 Desondanks weet diezelfde burger doorgaans verrassend goed wat wel en niet is toegestaan.3 Die kennis vloeit kennelijk niet alleen voort uit rechtsbronnen, maar ook (en misschien wel vooral) uit de heersende maatschappelijke opvattingen die hij heeft meegekregen in zijn opvoeding en die hij om zich heen ziet. Zijn lidmaatschap van een bepaalde samenleving brengt kennis met zich over de normen en waarden die in die samenleving gelden en die voorschrijven wat wel en niet mag.4 De voorzienbaarheid van strafbaarheid heeft vanuit dat perspectief – vooral als het gaat om rechtsdelicten (mala in se) – weinig tot niets te maken met de duidelijkheid van wetsbepalingen en alles met de mate waarin die bepalingen corresponderen met het rechtsgevoel van de samenleving.5 En zelfs voor wat betreft wetsdelicten (mala prohibita) lijkt het mij in veel gevallen aannemelijker dat professionele marktdeelnemers tijdens hun (formele of informele) opleiding en via vakgenoten kennis nemen van allerlei regels dan door het rechtstreeks lezen van wetteksten.
Om de verdachte een verwijt te kunnen maken, is weliswaar vereist dat hij met de strafbaarheid van de gedraging bekend was, maar de wijze waarop hij daarmee bekend was, is eigenlijk irrelevant. Het belang van publicatie van wetgeving zal het daarbij in de dagelijkse praktijk vermoedelijk veelal afleggen tegen het morele kompas van de burger.6 Duidelijkheid van wetgeving is dan vooral van belang als de burger niet reeds uit anderen hoofde met het verbod bekend was.7 Sterker nog: Rozemond en Brouwer merken terecht op dat we het – wederom vooral bij rechtsdelicten – vermoedelijk juist nog verwerpelijker zouden vinden wanneer een verdachte voorafgaand aan een voorgenomen misdrijf de wet erop na zou slaan, om zo de mazen op te zoeken.8 Sowieso valt vanuit communitaristisch oogpunt het nodige in te brengen tegen de gedachte dat burgers in vrijheid moeten kunnen afwegen of ze de wet willen respecteren of niet.
Pompe wijst ter illustratie op de bestraffing van oorlogsmisdadigers na de Tweede Wereldoorlog en meent dat bestraffing ook mogelijk moet zijn als gedrag ten tijde van het delict formeel weliswaar niet strafbaar was, maar materieel wel reeds wederrechtelijk was. Bepaalde fundamentele normen zijn volgens hem zo sterk in het geweten van de samenleving verankerd dat ze gelding hebben ongeacht of ze zijn gecodificeerd.9 Er is daarom wel betoogd dat het legaliteitsbeginsel enkel bescherming zou moeten bieden in gevallen waarin de strafwaardigheid van het gedrag niet evident is.10 Het zou in deze gedachtegang overbodig en onzinnig zijn om vooral normen die als mala in se kunnen worden gekwalificeerd officieel aan onderdanen bekend te moeten maken; die onderdanen waren daar immers allang mee bekend.11 Bestraffing in strijd met het – volgens hem overigens schromelijk overschatte – legaliteitsbeginsel hoeft volgens Pompe dan ook niet altijd onrechtvaardig te zijn.12 Juist als enkel van bestraffing van ernstige misdrijven zou moeten worden afgezien om te voldoen aan het legaliteitsbeginsel, terwijl dat in strijd komt met het ‘volksgeweten’, zou dat als dermate onrechtvaardig worden beschouwd dat voor ‘volkswraak’ en ‘volksjustitie’ moet worden gevreesd.13 Dat kan vanuit communitaristisch oogpunt niet wenselijk zijn. Door minder dogmatisch vast te houden aan de eisen van het lex certa-beginsel, wordt het juist eenvoudiger om in concrete zaken tot uitkomsten te komen die corresponderen met het rechtsgevoel van de samenleving en het bereiken van materiële rechtvaardigheid.14
Duidelijkheid richting de burger is, gelet op het voorgaande, vanuit communitaristisch oogpunt vooral nodig als de norm niet reeds in het rechtsbewustzijn van de samenleving is gevestigd.15 Bij codificatie van reeds geldende normen kan daarom een lagere mate van duidelijkheid volstaan, terwijl het creëren van nieuwe normen (‘modificatie’) meer duidelijkheid vereist.16 Duidelijkheid is daarom in beginsel ook belangrijker bij wetsdelicten dan bij rechtsdelicten. Zolang de overheid zich onthoudt van sturing van maatschappelijke normen en zich beperkt tot het vastleggen van reeds geldende, breed gedragen normen, is het daarom ook betrekkelijk eenvoudig om aan de eisen van het legaliteitsbeginsel te voldoen.17 Naar mate de samenleving echter complexer wordt en de overheid meer sturend en ordenend gaat optreden, wordt dat steeds lastiger.18