Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/2.1
2.1 Pre-codificatie: van 1602 tot 1811
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232654:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/2; Kemp 2015, par. 2.2.2. Van der Heijden 1908, hoofdstuk 2. Dit octrooi was zowel oprichtingsakte als een vergunning voor het voeren van monopolie op handel en scheepvaart op bepaalde routes, zie Frentrop 2013, p. 16.
Zie Gepken-Jager 2005; De Jongh 2014, nr. 48; Kemp 2015, par. 2.2.1 (met uitgebreide literatuurverwijzingen). Van der Heijden vond in de VOC “de grondgedachte der naamlooze vennootschap terug”, zie Van der Heijden 1908, hoofdstuk 2. De kapitaalvennootschap heeft ook raakvlakken met rechtsfiguren uit het Romeinse recht, zie De Jongh 2014, p. 3 e.v. en Mayer 2018, p. 63 e.v.
Gepken-Jager 2005, par. 1.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/2-3; Punt 2010, par. 3.4.1; Abma e.a. 2017, par. 1.2.
Van der Heijden 1908, hoofdstuk 2. Dit neemt niet weg dat de VOC op enig moment wel een permanent kapitaal kende, zie de opmerkingen hierover later in deze paragraaf.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/3.
Den Heijer 2005, p. 62.
In maart 1594 werd de Compagnie van Verre opgericht, zie Den Heijer 2005, p. 22. Zie ook Punt 2010, par. I.3.3.3 en Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/2.1. Dat de tijd van de voorcompagnieën betrekkelijk kort was (van 1594 tot 1602) heeft te maken met het feit dat pas in 1594 werd begonnen met de uitvoering van een concreet plan om schepen naar Indië te sturen voor de handel in specerijen door het oprichten van de Compagnie van Verre. In 1595 voeren de eerste schepen uit, die in 1597 beladen terugkeerden. Tussen 1595 en 1601 vertrokken in totaal 65 schepen uit de Zeven Provinciën naar Indië, terwijl in de eeuw daarvoor niet één schip vanuit dit gebied naar Indië vertrok. Kennelijk werden deze compagnieën pas nodig geacht toen er begonnen werd met dergelijke grote reizen en niet voor de daarvoor bestaande handel met dichterbij gelegen gebieden als Zuid-Europa, Scandinavië en de Oostzee. Zie Frentrop 2013, p. 9-10.
Punt 2010, par. 3.3.2 en Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/2.1.
Pitlo/Raaijmakers, Ondernemingsrecht (Pitlo-serie nr. 2) 2017, par. 4.1.3.
De Jongh 2014, nr. 23.
Punt 2010, par. 3.3.3 en De Jongh 2014, nr. 23.
Punt 2010, par. 3.3.3.
Heijer 2005, p. 27. In de praktijk waren de bewindhebbers overigens vaak ook belangrijke participanten, zie Heijer 2005, p. 27.
Van der Heijden 1908, hoofdstuk 2.
Heijer 2005, p. 27-28.
Frentrop 2013, p. 16. Volgens Frentrop was de reden hiervoor dat voor het rechtvaardigen van het verlenen van een monopolie in een republiek, anders dan in een monarchie, vereist was dat de onderneming voor iedereen open moest staan. Kleinere beleggers kregen overigens ook voorrang bij de inschrijvingen. Tegenwoordig kennen we dit concept nog steeds in veel beursgangen, waarbij sprake is van een ‘preferential retail allocation’. Hierbij wordt een deel (bijvoorbeeld 10%) van de in een beursgang aangeboden effecten gereserveerd voor particuliere beleggers.
S. van Brakel, De Hollandsche handelscompagnieën der zeventiende eeuw, Den Haag: Martinus Nijhoff 1908, p. 173.
Heijer 2005, p. 51.
Heijer 2005, p. 60.
Van der Heijden 1908, hoofdstuk 2.
Van der Heijden 1908, hoofdstuk 2.
Heijer 2005, p. 59.
Heijer 2005, p. 65 en Punt 2010, par. 3.4.2.
Heijer 2005, p. 65.
Heijer 2005, p. 65.
De Jongh 2014, nr. 55.
Van der Heijden 1908, hoofdstuk 2; Heijer 2005, p. 65; De Jongh 2014, nr. 60.
Deze commissie wordt als voorloper van de raad van commissarissen gezien door Van der Heijden 1908, hoofdstuk 2 en Van Bekkum e.a. 2010, par. 2.1.1.
Van der Heijden 1908, hoofdstuk 2; Heijer 2005, p. 65; De Jongh 2014, nr. 60; Pitlo/Raaijmakers, Ondernemingsrecht (Pitlo-serie nr. 2) 2017, par. 4.1.3.
Van der Heijden 1908, hoofdstuk 2. In de praktijk werd aan deze nieuwe afspraken niet altijd uitvoering gegeven.
Van der Heijden 1908, hoofdstuk 2.
Heijer 2005, p. 36.
Heijer 2005, p. 53. Zie voor een overzicht van compagnieën in verschillende landen: Van der Heijden 1908, hoofdstuk 3.
Heijer 2005, p. 82-83 en Gepken-Jager 2005, par. 7. Hoofdparticipanten waren aandeelhouders die minimaal een bepaalde inleg in de compagnie hadden geïnvesteerd.
Punt 2010, par. 3.4.1 en Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/5.
Pitlo/Raaijmakers, Ondernemingsrecht (Pitlo-serie nr. 2) 2017, par. 4.1.3.
De Jongh 2014, nr. 50.
Frentrop 2013, p. 73; Westerhuis & De Jong 2015, p. 34.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/5 en Van der Heijden 1908, hoofdstuk 4.
Pitlo/Raaijmakers, Ondernemingsrecht (Pitlo-serie nr. 2) 2017, par. 4.1.3.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/5. Overigens waren niet alle compagnieën die dat jaar werden opgericht onzinnig. De Maatschappij van Assurantie, Disconteering en Beleening der Stad Rotterdam heeft nog eeuwenlang bestaan. Zij stond als laatst bekend als Stad Rotterdam Verzekeringen, tot het moment waarop deze destijds oudste vennootschap van Nederland in 2003 fuseerde met andere verzekeraars, welke samengevoegde onderneming valt onder het huidige ASR Nederland N.V.
Zie voor een uitgebreide beschrijving: De Jongh 2014, par. 3.1.
Van der Heijden 1908, hoofdstuk 5; De Jong & Roëll 2005, par 8.1.2; Punt 2010, par. 3.4.2; De Jongh 2014, nr. 76.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/5.
De Jongh 2014, nr. 76.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/5.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/5.
Gepken-Jager 2005, par. 18.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/5. Deze passsage is terug te leiden tot Van der Heijden, die in zijn dissertatie de codificatie in 1811 aanmerkte als het begin van de moderne NV, zie Van der Heijden 1908, hoofdstuk 1. Het begrip ‘modern’ is echter relatief en niet absoluut; de betekenis hiervan kan per schrijver verschillen. Hetzelfde geldt overigens voor het begrip ‘klassiek’; zie bijvoorbeeld Overkleeft 2017, par. 2.8 en 3.1, waarin hij uiteenzet dat het fundament van het klassieke ondernemingsrecht in 1971 was voltooid. Volgens De Jongh 2014, nr. 88, vertoont de compagnie aan het einde van de 18e eeuw meer gelijkenissen met een commanditaire vennootschap op aandelen met een diffuse status ten aanzien van haar eventuele rechtspersoonlijkheid.
Roncaglia 2017, par. 2.6.
Smith 1776, boek IV, hoofdstuk I. Volgens sommigen is het mercantilisme ook de meest correcte kwalificatie van de economische politiek van de Amerikaanse president Donald Trump, zie bijvoorbeeld de artikelen ‘On Trade, Donald Trump Breaks With 200 Years of Economic Orthodoxy’, The New York Times, 10 maart 2016 en ‘Trump de mercantilist’, Het Financieele Dagblad, 17 januari 2017.
Smith 1776. Zie ook Roncaglia 2017, par. 5.8.
Op 20 maart 1602 werd de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) bij octrooi opgericht voor een periode van 21 jaar.1 Dit moment wordt veelal aangemerkt als het begin van de ontstaansgeschiedenis van de kapitaalvennootschap.2 De VOC bezat belangrijke eigenschappen van onze huidige kapitaalvennootschap, waaronder beperkte aansprakelijkheid van aandeelhouders, kapitaal dat werd opgehaald bij het publiek en aandelen die vrij verhandelbaar waren.3 Vaak wordt de VOC als de voorloper van de NV aangeduid.4 De VOC vertoonde echter ook enkele duidelijke verschillen met de huidige NV. Zo kende de VOC geen vastgesteld kapitaal, maar betrof haar kapitaal simpelweg het totaal van gestorte gelden,5 kenden de aandelen waarden die per inleg verschilden, was niet geregeld wanneer en op welke wijze winst werd uitgekeerd, legden de bestuurders aanvankelijk geen rekening en verantwoording af en kende de VOC met haar van overheidswege toegekend monopolie een duidelijk publiekrechtelijke inslag.6
Uit historisch onderzoek lijkt te volgen dat de VOC op het moment van oprichting organisatorisch geen volledig nieuwe verschijning was.7 Er waren sinds 1594 meerdere regionale ‘voorcompagnieën’ geweest.8 De voorcompagnieën gingen op in de VOC en vormden de verschillende afdelingen (‘kamers’) binnen haar organisatie.9 Deze fusie was noodzakelijk om de gewenste schaalgrootte te bereiken voor de omvangrijke financiering van de overzeese handel na de ontdekkingsreizen.10 De voorcompagnieën die tegen het einde van de 16e eeuw werden opgericht waren organisaties die belangrijke gelijkenissen vertoonden met de VOC, met name omdat ook zij niet slechts werden opgericht voor de exploitatie van een reis (zoals bij de factorijvennootschappen)11 of een schip (zoals bij de partenrederijen),12 maar om handel te drijven voor een beperkt aantal missies of voor een beperkte periode, waarna de onderneming werd geliquideerd.13 Ook werd onderscheid gemaakt tussen de hoedanigheid van bestuurder (‘bewindhebber’) en kapitaalverschaffer (‘participant’).14 De participanten waren slechts aansprakelijk tot het bedrag van hun storting.15 De aandelen (‘participaties’) waren verhandelbaar, al lijkt hier niet op grote schaal gebruik van te zijn gemaakt.16 Het lijkt aannemelijk dat de VOC organisatorisch niet in alle opzichten een vernieuwend karakter had, maar dat zij veel van de vernieuwende ondernemingseigenschappen die in de periode voor haar ontstaan waren ontwikkeld in zich heeft gebundeld. Zij is een succesvol en volledig voorbeeld van de innovaties zoals die in de loop der tijd waren geïntroduceerd. Op één belangrijk vlak was de structuur van de VOC wel degelijk vernieuwend. Volgens artikel 10 van het octrooi mochten alle ingezetenen van de Republiek der Zeven Provinciën participeren in de VOC.17 Dat zette de weg open voor de VOC als eerste vennootschap met een wijdverspreid aandelenkapitaal. De organisatorische ontwikkeling van de compagnieën is wel omschreven als een “geleidelijken overgang van den vormloozen, ongeorganiseerden handel voor gemeene rekening tot de corporatief georganiseerde kapitaalsassociatie, waarin voor het eerst de onderneming een zelfstandig leven erlangt.”18
Deze geleidelijke overgang zette zich voort in de organisatie van de VOC zelf, met name in haar beginjaren, van 1602 tot en met 1622. De VOC kreeg in 1602 een monopolie voor 21 jaar op de handel en scheepvaart op Azië via twee vaarroutes.19 De aandeelhouders konden zich in de zomer van 1602 inschrijven op de aandelen en vervolgens in drie tot vier termijnen aan hun stortingsplicht voldoen.20 Er was sprake van een oligarchische bestuursstructuur, nu de bewindhebbers van de verschillende kamers binnen de VOC (die gezamenlijk het formele bestuur uitoefenden over de VOC) werden gekozen door de Staten der Provincie uit een voordracht door de bewindhebbers van drie kandidaten per vacature.21 Gedurende de eerste 21 jaar van het bestaan van de VOC hadden de participanten “geen schaduw van invloed of controle” en was het bestuur in handen van bewindhebbers van de kamers van de VOC.22
In 1612 diende volgens het octrooi door de bewindhebbers van de VOC een generale rekening opgemaakt te worden, waarna het de aandeelhouders vrijstond hun investering te verzilveren of te herinvesteren.23 Uit historisch onderzoek blijkt dat de bewindhebbers dat in eerste instantie niet of slechts gebrekkig hebben gedaan.24 Eind 1612 werd uiteindelijk alsnog het eerste ‘kapitaalboek’ – dat zag op de voorafgaande periode van tien jaar – gesloten, en werd een nieuw aandeelhoudersregister aangelegd waarin minder en deels andere aandeelhouders werden ingeschreven.25 In de aanloop naar de eindafrekening in 1622 hadden de aandeelhouders flinke (publieke) kritiek op de bewindhebbers en eisten zij meer inspraak en een gedegen financiële verantwoording.26 Je zou kunnen zeggen dat dit de eerste bekende uiting van aandeelhoudersactivisme was.27 De Staten-Generaal besloten uiteindelijk in 1622 om de VOC niet te liquideren maar voort te zetten, waarbij zij in de octrooiverlenging van 1622 en de aanvulling daarop van 1623 de aandeelhouders meer invloed gaven en de bewindhebbers verplichtten financiële verantwoording af te leggen.28 Een commissie van belangrijke aandeelhouders (die op onderdelen gelijkenissen vertoonde met de huidige raad van commissarissen29) kreeg inzicht in de stukken die relevant waren voor de controle van de jaarlijkse financiën en een adviesrecht over enkele beleidsmatige zaken.30 De bewindhebbers moesten periodiek aftreden, nieuwe bewindhebbers zouden worden benoemd uit een voordracht van een kiescollege bestaande uit zowel bewindhebbers als participanten en er zou ieder jaar dividend moeten worden uitgekeerd.31 Deze ontwikkeling wordt door Van der Heijden gezien als een belangrijke stap in de ontwikkeling van de NV.32 De VOC beschikte met de verlenging van het octrooi over een permanent kapitaal en daarmee een in beginsel onbeperkte levensduur. Dit was een duidelijk verschil met de voorcompagnieën die werden opgericht voor een bepaalde handelsmissie of periode. In die gevallen werd, indien het doel was bereikt, een eindafrekening gemaakt, de onderneming geliquideerd en kregen de participanten bij succes hun inleg vermeerderd met eventuele winsten uitgekeerd. Dat betroffen dus tijdelijke ondernemingen waarbij geen sprake was van een permanent kapitaal.33 Ook in dit opzicht was de VOC dus wel degelijk vernieuwend en vertoont zij belangrijke karaktertrekken van de kapitaalvennootschap die wij nu kennen.
In de 17e eeuw werden in navolging van de VOC meerdere compagnieën opgericht in verschillende landen, waaronder in Nederland de belangrijke West-Indische Compagnie (WIC) in 1621.34 Zowel bij de eerste octrooiverlening aan de WIC in 1623 als de octrooiverlenging voor de VOC in 1622 (met de aanvulling daarop in 1623) kregen de belangrijkste aandeelhouders – de ‘hoofdparticipanten’ – invloed op het aanstellen van nieuwe bewindhebbers, inzage in de financiën en een adviesrecht over belangrijke onderwerpen.35 Over het algemeen kan echter gezegd worden dat de invloed van kapitaalverschaffers op het bestuur en het beleid van de VOC en de WIC vrij beperkt was. Het oprichten van nieuwe compagnieën zette zich in Nederland voort gedurende de zeventiende eeuw, waarbij deze ondernemingen steeds in meer of mindere mate een publiekrechtelijke inslag bleven houden.36 Ook de beurshandel in aandelen ontwikkelde zich in de loop van de 17e eeuw. De eerste effectenbeurs ter wereld werd in 1606 opgericht in Amsterdam.37 Handel in aandelen in de VOC vond vanaf 1607 plaats en in de tweede helft van de 17e eeuw ontwikkelde zich ook de optiehandel.38 Ter vergelijking: de eerste effectenbeurs van de Verenigde Staten werd opgericht in 1790 in Philadelphia en pas in 1792 werd de New York Stock Exchange opgericht.39
In het begin van de achttiende eeuw bleef men compagnieën oprichten, maar werd het langzamerhand steeds gebruikelijker dat deze compagnieën louter een winstoogmerk kenden.40 Zij werden niet langer opgericht ‘ten algemenen nutte’ maar ‘tot eigen baat’.41 Het winstoogmerk van de compagnieën ontwikkelde zich aan het begin van de 18e eeuw tot winstbejag, dat zich uitte in speculatieve handel in aandelen van compagnieën met de meest uiteenlopende (en onzinnige) commerciële doelstellingen (vandaar het begrip ‘windhandel’).42 Als gevolg van deze trend, die niet alleen in Nederland waarneembaar was, maar ook in Engeland, Frankrijk, Portugal en Duitsland, ontspon zich in 1720 een internationale kapitaalmarktcrisis.43 Door deze internationale crisis nam het enthousiasme in de aandelenhandel af en werden een tijd lang weinig tot geen compagnieën opgericht.44 In het laatste kwart van de 18e eeuw kwam de oprichtingsdrift weer enigszins op gang, waarbij nu breed werd aanvaard dat een compagnie een zuiver winstoogmerk had. De compagnie kreeg daarmee een duidelijk privaatrechtelijk karakter.45 De nieuwe compagnieën waren ‘geprivatiseerd’ en daarmee ontdaan van de overheidsinvloed die zo aanmerkelijk aanwezig was in de 17e-eeuwse compagnieën.46 Een andere ontwikkeling was dat de nieuwe compagnieën inmiddels beschikten over een vastgesteld kapitaal, verdeeld in aandelen van een gelijk bedrag, waarbij aansprakelijkheid van aandeelhouders boven dat bedrag was uitgesloten.47 Deze compagnieën werden bestuurd door een bestuur, onder toezicht van een raad van commissarissen, jaarlijks werd rekening en verantwoording afgelegd aan aandeelhouders en (wanneer mogelijk) werden dividenden uitgekeerd.48 Wat de VOC betreft: haar bestuur werd in 1796 onder bewind van de Nederlandse staat gesteld, waarmee de VOC feitelijk haar activiteiten beëindigde, al bleef zij nog enkele jaren actief om lopende zaken af te wikkelen.49 De VOC en WIC zijn gedurende hun bestaan altijd ondernemingen met een duidelijke publiekrechtelijke basis gebleven.
Vanwege de 18e-eeuwse ontwikkeling naar de louter privaatrechtelijke compagnie is in het verleden wel aangeduid als de periode waarin de ‘moderne NV’ ontstond.50 Deze ontwikkeling van publieke naar private handelsonderneming die zich gedurende de 18e eeuw voltrok, vertoont paralellen met ontwikkelingen in de economische filosofie en politiek. Tot halverwege de 18e eeuw was het mercantilisme een invloedrijke economische stroming in Europa.51 Het mercantilisme is er in de kern op gericht om de nationale staat zo welvarend mogelijk te maken door het creëren van een handelsoverschot, dat wil zeggen het beperken van import van goederen en het maximaliseren van export van goederen met het doel om te komen tot een hogere welvaart (dat betekende in die visie: een grotere hoeveelheid geld en edelmetalen) in de eigen staat.52 Meer in algemene zin wordt het mercantilisme gekenmerkt door een nauwe verwevenheid tussen de nationale staat en het bedrijfsleven en het voeren van een protectionistische economische politiek. De ideeën van Adam Smith hingen samen met de opkomst van het economisch liberalisme vanaf het einde van de 18e eeuw, volgens welke stroming de invloed van de overheid beperkt zou moeten worden tot enkele publieke voorzieningen, zodat de vrijemarkteconomie zo efficiënt mogelijk zou kunnen functioneren.53 Die geest van het liberalisme uitte zich tegen het einde van de 18e eeuw tevens in belangrijke ontwikkelingen in de wereldgeschiedenis zoals de Amerikaanse revolutie die begon in 1776 en de Franse revolutie in 1789. Deze periode markeert historisch het einde van het ancien régime of de vroegmoderne tijd en het begin van de moderne tijd.