Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/6.3.1
6.3.1 Inleiding
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950353:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 2.5.4.
Zie ook § 2.5.5.
Voorbeeld ontleend aan Rb. Overijssel 5 maart 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:4962, r.o. 2.9.
Vgl. Rb. Amsterdam 13 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1759, r.o. 4.6 (“Opschorting van de licentierechten is in dit geval een geoorloofd pressiemiddel, waarbij wordt opgemerkt dat SKAMGS geen andere opschortingsmogelijkheden heeft.”).
Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/57.
Ook aan de opschorting voorafgaande omstandigheden kunnen van invloed zijn op de bevoegdheid tot uitoefening van het algemene opschortingsrecht (zie bijv. Rb. Rotterdam 26 april 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:4266, r.o. 6.2).
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 207-208. Zie ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/57 en 58 en Hesselink 1999, p. 297, die opmerken dat de opschorting niet ‘disproportioneel’ mag zijn. In dit verband wordt ook wel van een ‘wanverhouding’ tussen de waarde van de verbintenissen over en weer gesproken (zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 27 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8351, r.o. 7.22 en Hof Arnhem-Leeuwarden 7 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11265, r.o. 5.21 en zie ook Wolters, Alle omstandigheden van het geval (O&R nr. 77) 2013, p. 294). Zie ook Linssen 1993, p. 177. Zie bijv. Rb. Gelderland 21 juli 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:3943, r.o. 4.24, die een opschortingsverweer in strijd met de redelijkheid en billijkheid oordeelde, met name omdat de korte betaaltermijn van vijf dagen pas enkele dagen was verstreken. Zie bijv. ook Rb. Zeeland-West-Brabant 17 juli 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:6308, r.o. 2.4 (‘Gelet op de (omvang) van de tekortkomingen en de omstandigheden van dit geval’). Vgl. voorts het oordeel in Hof Arnhem-Leeuwarden 25 januari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:572, r.o. 2.32, dat gegrond lijkt op art. 6:52 lid 1 BW (r.o. 2.29), maar veeleer betrekking lijkt te hebben op de enac (“Voor de resterende gebreken (…) geldt naar het oordeel van het hof dat ze te gering van aard zijn om een opschorting van de betaling van het restant van de aanneemsom te kunnen rechtvaardigen. De betreffende gebreken staan niet aan het gebruik van het opgeleverde bedrijfspand in de weg.”) en Rb. Limburg 21 juni 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:3760, r.o. 4.3.1 (“Gelet op de omvang van het (herstel)werk was die opschorting niet disproportioneel, temeer nu (…) kennelijk sprake was van een nieuw (ernstig) gebrek (scheurvorming).”). Vgl. voorts Wolters, Alle omstandigheden van het geval (O&R nr. 77) 2013, p. 295 met verwijzingen naar de PECL, DCFR en het recht van de Europese Unie.
Zie bijv. HR 20 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4169, NJ 1981/640 (Veluwse Nutsbedrijven/Blokland q.q.), p. 2100; Rb. Zeeland-West-Brabant (vzr.) 18 januari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:338, r.o. 4.3 en Rb. Zeeland-West-Brabant (vzr.) 20 juli 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:6597, r.o. 3.11. Voorstelbaar is dat een schuldenaar onder omstandigheden, in geval van een gelijke waarde van de wederzijdse verbintenissen of een vordering met een lagere waarde dan zijn verbintenis, dient te kiezen voor een verrekeningsverweer of geen beroep kan doen op art. 6:132 BW. Vgl. § 6.3.5, waarin aan de orde komt dat het niet voldoende voortvarend te gelde maken van de vordering van invloed kan zijn op de doelmatigheid van de opschortingsbevoegdheid.
De beperkende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid op de bevoegdheid het algemene opschortingsrecht uit te oefenen, komt vooral tot uiting in de beoordeling van de doelmatigheid en evenredigheid van de uitoefening van het algemene opschortingsrecht.
Het algemene opschortingsrecht fungeert mede als pressiemiddel tot nakoming.1 Met het uitstellen van de nakoming van de verbintenis beoogt de schuldenaar onder andere zijn wederpartij tot gelijktijdige nakoming van zijn vordering te dwingen. De mate van de door de wederpartij gevoelde pressie is mede afhankelijk van de waarde van de verbintenissen over en weer en het belang bij nakoming daarvan voor partijen. Het is voorstelbaar dat de door de wederpartij gevoelde pressie minder hoog is wanneer zij (veel) minder heeft te vorderen dan te presteren.2 Andersom ligt het voor de hand dat de door de wederpartij gevoelde pressie tot nakoming hoger is wanneer zij (veel) meer te vorderen heeft dan te presteren. Tevens is goed denkbaar dat de gevoelde pressie mede wordt beïnvloed door het belang dat de wederpartij heeft bij nakoming van de verbintenis door haar schuldenaar. Waarschijnlijk zal de wederpartij voor wie de uitoefening van het opschortingsrecht bijvoorbeeld tot schade of zelfs faillissement zal leiden een stevigere prikkel tot gelijktijdige nakoming voelen dan de wederpartij voor wie de opschorting van de nakoming niet of nauwelijks tot nadeel leidt. Dit laatste kan zich bijvoorbeeld voordoen in het geval dat een partij is opgehouden met het betalen van de maandelijkse prijs voor haar sportschoolabonnement, omdat zij geen gebruik maakt van de geboden faciliteiten. Wanneer de sportschool haar dan bij wijze van uitoefening van een opschortingsrecht de toegang tot de sportschool ontzegt, zal zij dit vermoedelijk niet of nauwelijks als een prikkel tot nakoming voelen.3
Op zichzelf behoeft het belang dat de wederpartij bij nakoming heeft of een ongelijke waardeverhouding tussen de verbintenissen over en weer niet in de weg te staan aan een beroep op het algemene opschortingsrecht. De schuldenaar mag de nakoming van zijn verbintenis opschorten, ook wanneer de verbintenis meer waard is dan de vordering of wanneer hij weet dat zijn wederpartij een gewichtig belang bij nakoming heeft dat misschien wel groter te noemen is dan het belang dat de schuldenaar heeft bij nakoming door zijn wederpartij. Anders gesteld mag de uitoefening van een opschortingsrecht ‘best een beetje pijn doen’ en het is niet ondenkbaar dat de schuldenaar zijn verweer daarop inricht door, voor zover mogelijk, te kiezen voor het opschorten van de nakoming van een verbintenis waarvan hij vermoedt dat hij daarmee zijn wederpartij tot nakoming zal kunnen bewegen.4 Zou dit anders zijn, dan zou dat in zekere mate aan het opschortingsrecht de functie van een pressiemiddel ontnemen en de uitoefening van een opschortingsrecht minder doelmatig kunnen maken.5
Tegelijk heeft een schuldenaar zich wel rekenschap te geven van de positie en belangen van zijn wederpartij (art. 6:2 lid 1 BW). De uitoefening van het algemene opschortingsrecht is of wordt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als deze uitoefening niet doelmatig of evenredig is in het licht van de omstandigheden van het geval.6 Daarbij speelt de mate van de niet-nakoming van de wederpartij een rol. In de parlementaire geschiedenis worden drie gevallen onderscheiden:
“Denkbaar is dat de tekortkoming van de wederpartij van zo geringe betekenis is dat zij in het geheel geen opschorting rechtvaardigt. Ook kan het zich voordoen dat die tekortkoming weliswaar geen opschorting van de gehele prestatie rechtvaardigt, maar wel van het deel daarvan dat met die tekortkoming correspondeert. En tenslotte kan de tekortkoming voldoende zijn voor algehele opschorting, ook al betreft die tekortkoming niet de hele door de wederpartij verschuldigde prestatie.”7
De waardeverhouding tussen de verbintenissen over en weer of de bij de nakoming van de verbintenis gemoeide belangen van de wederpartij kunnen meebrengen dat de schuldenaar dient af te zien van het uitstellen of verder uitstellen van de nakoming van zijn verbintenis of eventueel moet kiezen voor andere, voor zijn wederpartij minder bezwaarlijke, rechtsmaatregelen.8 Deze omstandigheden kunnen ook van invloed zijn op de evenredigheid van de uitoefening van het algemene opschortingsrecht. De mate van de tekortkoming van de wederpartij, die met name tot uitdrukking komt in de waardeverhouding tussen de wederzijdse verbintenissen, komt aan de orde in § 6.3.2. In § 6.3.3 en § 6.3.4 ga ik in op de met de opschorting gemoeide belangen van de wederpartij of de gevolgen daarvan voor haar. In § 6.3.5 komt aan de orde dat het tijdelijke karakter van het algemene opschortingsrecht mede van invloed is op de uitoefeningsbevoegdheid. Mede in verband met dat tijdelijke karakter komt in § 6.3.6 aan de orde of de schuldenaar gehouden is op te geven wat hij beoogt te bewerkstelligen met de uitoefening van het algemene opschortingsrecht.