Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/2.5
2.5 Van het begin van de jaren 1970 tot het heden
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232628:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
De Jongh 2014, nr. 171 e.v. De Jongh 2019, par. 11 heeft het over “ineengeschrompeld”.
Honée 1988, nr. 11. Zie ook al eerder Löwensteyn 1959, p. 1: “De heersende tendentie is immers de zeggenschap van de aandeelhouders zoveel mogelijk in te perken en het bestuur te maken tot de in feite oppermachtige instantie. Door het voorschrijven van een bindende voordracht bij bestuursbenoemingen en door het overhevelen van belangrijke bevoegdheden van de A.V. naar het bestuur tracht men dit doel te bereiken.”
Westerhuis & De Jong 2015, p. 157; Overkleeft 2017, par. 3.2.1. De combinatie van stagnatie en inflatie wordt ook wel aangeduid als ‘stagflatie’, zie Frentrop 2013, p. 149.
Zie hierover uitgebreid paragraaf 4.5.1 van dit proefschrift.
Friedman 1970. Zie ook Roncaglia 2017, par. 17.4 en Singer 2019, p. 89 e.v. Zie over Friedman’s theorieën: M. Friedman, Capitalism and Freedom, Chicago: Chicago University Press 1962. Hij wordt gezien als de grondlegger van de monetaristen, die de overheid slechts zagen als de verstrekker van een gestaag groeiende hoeveelheid geld, zonder dat deze verder zou moeten ingrijpen in de markteconomie.
De Jongh 2014, nr. 171. Timmerman, MvO 2020/5-6 duidt de periode 1980-2015 aan als het tijdperk van de bijna exclusief economische onderneming.
Overkleeft 2017, par. 3.2.2 en 3.3.1.
Zie hierover Overkleeft 2017, par. 3.3.2.
Overkleeft 2017, par. 3.3 en 3.4. Zie ook minister van Financiën Kok in Kamerstukken II 1990/91, 21 038, nr. 22, p. 3: “Het financieel-economisch klimaat heeft zich in het afgelopen decennium gekenmerkt door tendensen als branchevervaging en internationalisering van markten. Dit proces is gepaard gegaan met een grotere concurrentie en een voortschrijdende internationalisering van het bedrijfsleven.”
Overkleeft 2017, par. 3.4.
Westerhuis & De Jong 2015, p. 180.
Overkleeft 2017, par. 3.4. In 1986 was 15% van de Nederlandse aandelen in handen van institutionele beleggers. In 1995 was dit percentage gestegen naar 22%. Zie Kamerstukken II 1998/99, 25 732, nr. 8, p. 6. Onder een ‘institutionele belegger’ wordt volgens artikel 2 sub e van de Herziene Aandeelhoudersrichtlijn begrepen: (1) een onderneming die werkzaamheden verricht op het gebied van levensverzekering en herverzekering en (2) een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening. In de praktijk wordt dit begrip ook wel breder uitgelegd, zie Vletter-Van Dort, Ondernemingsrecht 2019/161, par. 3.
Mehrotra & Morck 2017, par. 6.
Cheffins 2013, p. 11 en Eisenberg & Cox 2014, p. 300-301.
Eisenberg & Cox 2014, p. 301.
Honée 1996, par. 21; De Jongh 2014, nr. 190; Westerhuis & De Jong 2015, p. 182-183. Zie hierover uitgebreid paragraaf 6.1.1 van dit proefschrift. Voor de volledigheid vermeld ik hier nog dat in 1988 twee regelingen zijn ingevoerd die relevant zijn voor aandeelhouders, namelijk de regeling voor de uitkoop van minderheidsaandeelhouders (Wet van 3 maart 1988, Stb. 1988, 85) en de geschillenregeling (Wet van 10 november 1988, Stb. 1988, 516). Boek 2 BW is per 1 januari 1992 op onderdelen gewijzigd bij de invoering van de boeken 3, 5 en 6 BW, maar deze wijzigingen waren voor het NV-recht niet ingrijpend (zie Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/9 en Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/31). In 1994 werd de regeling van het enquêterecht uitgebreid en werd de Ondernemingskamer bevoegd om hangende het geding voorzieningen te treffen (Wet wijziging en aanvulling van het enquêterecht, Stb. 1993, 597). Voorts is voor de beursvennootschap op 31 december 1995 de Wet toezicht effectenverkeer 1995 in werking getreden (Stb. 1995, 574). Deze wet was de opvolger van de Wet Effectenhandel uit 1985 en de Wet Toezicht Effectenverkeer uit 1991 (zie Pitlo/Raaijmakers, Ondernemingsrecht (Pitlo-serie nr. 2) 2017, par. 4.1.7). De Wet toezicht effectenverkeer 1995 bleef de belangrijkste rechtsbron voor financiële toezichtwetgeving tot 1 januari 2007, de datum waarop de Wft in werking trad.
Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/10 en Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §2.
Kamerstukken II 2003/04, 29 449, nr. 1, p. 1-2. Zie ook: Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §2.
Zie ook: Kamerstukken II 2003/04, 29 449, nr. 1, p. 1-2. Zie in vergelijkbare zin: Overkleeft 2017, par. 5.1.
Wet van 9 juli 2004 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met aanpassing van de structuurregeling (Stb. 2004, 370), inwerkingtreding 1 oktober 2004 (Stb. 2004, 405). Zie ook: Kamerstukken II 2003/04, 29 449, nr. 1, p. 13.
Iedere structuurvennootschap diende na inwerkingtreding van de Wet aanpassing structuurregeling haar statuten in overeenstemming te brengen met deze wijzigingen; indien dat niet gebeurde dan golden de nieuwe bepalingen onverkort en ongeacht andersluidende bepalingen in de statuten (Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 3 (MvT), p. 44). Zie voor een interessant dispuut dat hierover ontstond Rb. Amsterdam 26 maart 2008, JOR 2008/125, m.nt. S.M. Bartman (Delta Lloyd/Aviva), waarin de aandeelhouder van Delta Lloyd op grond van artikel 2:8 BW werd geboden in te stemmen met een statutenwijziging waarbij afgeweken werd van de nieuwe wettelijke regeling.
Winter, AA 2012.
Wet van 28 september 2006, houdende regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Stb. 2006, 475). Zie hierover uitgebreider paragraaf 3.4.4 van dit proefschrift.
Besluit openbare biedingen Wft van 12 september 2007 (Stb. 2007, 329). Zie voor de inwerkingtreding: Stb. 2007, 391.
Besluit van 9 maart 2012 houdende wijziging van het Besluit openbare biedingen Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en het Besluit artikel 10 overnamerichtlijn (Stb. 2012, 196) en Besluit van 29 maart 2012 houdende wijziging van het Vrijstellingsbesluit overnamebiedingen Wft (Stb. 2012, 197).
Wet van 20 juni 2010 (Stb. 2010, 257), in werking getreden op 1 juli 2010, ter uitvoering van de aandeelhoudersrichtlijn van 11 juli 2007 (PbEU 2007, L 184/17).
Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/10.
Wet tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de invoering van een recht voor de ondernemingsraad van naamloze vennootschappen om een standpunt kenbaar te maken ten aanzien van belangrijke bestuursbesluiten en besluiten tot benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders en commissarissen alsmede ten aanzien van het bezoldigingsbeleid (Stb. 2010, 250).
Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen (Stb. 2011, 275), gevolgd door de Reparatiewet bestuur en toezicht, de Wet van 27 september 2012 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verduidelijking van de artikelen 297a en 297b. Zie hierover: Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/11.
Wet van 18 juni 2012 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het recht van enquête (Stb. 2012, 274). Zie over dat laatste punt ook Kamerstukken II 2010-2011, 32 887, nr. 3 (MvT), p. 15. Zie over de wijziging van het enquêterecht en de achtergronden daarvan ook Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/11.
Wet van 15 november 2012 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet giraal effectenverkeer en het Burgerlijk Wetboek naar aanleiding van het advies van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code van 30 mei 2007 (Stb. 2012, 588).
Uit de literatuur blijkt dat de zeggenschap van aandeelhouders in beursvennootschappen in Nederland halverwege jaren 1980 tot een minimum gereduceerd was.1 Dit had niet alleen te maken met de hiervoor genoemde wetswijzigingen die zagen op de vermaatschappelijking van de beursvennootschap. Ook werden er vele oligarchische regelingen en beschermingsconstructies geïmplementeerd door besturen van beursvennootschappen om zo de aandeelhouders buiten te sluiten en de vennootschap – in de woorden van Honée – te vertimmeren tot een onneembaar fort.2 Ondertussen waren er echter sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen gaande die een tegenwicht zouden gaan bieden tegen de almaar groter wordende macht van het bestuur van de beursvennootschap. In de loop van de jaren 1970 kwam er een einde aan de groeiende welvaart die de voedingsbodem was geweest van de wens om tot een socialere verdeling van de vruchten daarvan te komen. De internationale oliecrisis van 1973 en het loslaten van het systeem van vaste wisselkoersen leidde tot inflatie en stagnatie van economische groei.3 In de Verenigde Staten kwam de agency-theorie op. Deze theorie verzette zich tegen het idee van sociale verantwoordelijkheid van ondernemingen en zag het maken van winst voor aandeelhouders als de enige juiste doelstelling van de vennootschap en haar bestuur.4 De econoom Milton Friedman verwees naar de agency-theorie in zijn beroemde artikel in de New York Times van 1970 getiteld ‘The Social Responsibility of Business is to Increase its Profits’:
“[…] the key point is that, in his capacity as a corporate executive, the manager is the agent of the individuals who own the corporation […], and his primary responsibility is to them.”5
Een tweede oliecrisis in 1979 zette de economie verder onder druk, wat resulteerde in loonmatiging en werkloosheid. Het maatschappelijk debat werd na deze crises en in de loop van de jaren 1980 steeds minder beheerst door ideologische en meer door bedrijfseconomische motieven.6 Vergaande privatisering, deregulering en marktwerking werden door de politiek noodzakelijk geacht om het inferieure ondernemings- en vestigingsklimaat te verbeteren en de Nederlandse financiële markten weer concurrerend te maken.7 In het kader van die laatstgenoemde wens moeten ook de hervormingen op het gebied van het financiële toezichtsrecht worden geplaatst.8 Mede door de opkomende internationalisering en liberalisering van de kapitaalmarkten was in de jaren 1980 en 1990 sprake van een wijziging in het aandeelhoudersbestand van beursvennootschappen.9 Beursvennootschappen deden omvangrijke aandelenemissies die vaak specifiek gericht waren op het ophalen van kapitaal bij buitenlandse investeerders en hadden regelmatig ook buitenlandse beursnoteringen.10 Deze ontwikkelingen leidden tevens tot beursvennootschappen die zich meer richtten op het realiseren van aandeelhouderswaarde, om zo beleggers te verleiden kapitaal te investeren bij aandelenemissies.11 Daarnaast was in Nederland sprake van een verschuiving van particulier naar institutioneel aandeelhoudersbezit, gedreven door buitenlandse investeringen door voornamelijk Amerikaanse en Britse institutionele beleggers.12 Hierdoor werd het aantal aandeelhouders kleiner, maar het belang dat per aandeelhouder gehouden werd groter.13 Deze verschuiving naar institutioneel aandeelhoudersbezit deed zich in diezelfde periode overigens ook voor in de Verenigde Staten.14 Dit betekende dat het aandeelhoudersbestand ging bestaan uit meer professionele aandeelhouders, die zich actiever gingen opstellen.15 De ontwikkelingen in de reële economie en de economische wetenschap bevorderden de ontwikkeling in de loop van de jaren 1990 naar meer marktwerking en minder sociaal-maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen. Dit leidde in het juridische landschap tot een verschuiving naar meer aandeelhoudersrechten en minder bestuursautonomie. Voorts leidde dit tot een discussie over de wenselijkheid en toelaatbaarheid van beschermingsconstructies.16
Het eerste decennium van de 21e eeuw was, voor het ondernemingsrecht en met name bij beursvennootschappen, vooral van belang voor aandeelhoudersbevoegdheden en corporate governance.17 De zeggenschap van aandeelhouders was in de decennia daaraan voorafgaand in vergaande mate gemarginaliseerd, waardoor een groeiende overtuiging ontstond dat het machtsevenwicht zoek was.18
Deze overtuiging werd versterkt door grote boekhoudschandalen in de Verenigde Staten, onder andere bij Enron Corporation (2001), en in Europa, onder andere bij Koninklijke Ahold N.V. (2003). In dit soort gevallen werden aandeelhouders gedupeerd door sterke koersvallen na bekendmaking van fraude of andere onregelmatigheden waarvoor bestuurders van die vennootschappen verantwoordelijk waren. Deze gebeurtenissen zijn weliswaar niet zelfstandig aan te duiden als oorzaken van de wettelijke versterking van aandeelhoudersrechten, maar droegen ongetwijfeld bij aan de gedachte dat voor een goede corporate governance een machtsevenwicht nodig was in de vennootschappelijke organisatie, waarbij ook aan de AV voldoende macht moet toekomen om een tegenwicht te bieden tegen de (over)macht van het bestuur.19
Voor zowel aandeelhoudersrechten als corporate governance was 2004 een belangrijk jaar. In dat jaar werd namelijk zowel de wettelijke structuurregeling op belangrijke punten gewijzigd alsook de eerste Corporate Governance Code, de ‘Code Tabaksblat’, wettelijk verankerd. Het laatste onderwerp beschrijf ik in detail in paragraaf 4.3.2 en laat ik hier nu buiten beschouwing. De wijziging van de structuurregeling versterkte de positie van de AV op een aantal cruciale punten.20 De wet leidde tot uitbreiding van bestaande en de invoering van nieuwe rechten voor kapitaalverschaffers, waaronder het agenderingsrecht (artikel 2:114a BW), het stemrecht van certificaathouders (artikel 2:118a BW) en de bevoegdheid tot vaststelling van het bezoldigingsbeleid.21 Ook werd het wettelijk goedkeuringsrecht van de AV bij bestuursbesluiten omtrent een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming ingevoerd (artikel 2:107a BW). Daarnaast werd het systeem voor benoeming van leden van de raad van commissarissen binnen het volledig structuurregime gewijzigd van gecontroleerde coöptatie naar benoeming door de AV (behoudens een andersluidende statutaire regeling).22
In de Verenigde Staten werd in 2002 als gevolg van de boekhoudschandalen strenge regelgeving ingevoerd in de vorm van de Sarbanes-Oxley wet. Deze wet richtte zich met name op betere informatievoorziening aan beleggers, onder andere door voorschriften op het gebied van de controle van jaarrekening, de auditcommissie binnen de board of directors en de onafhankelijkheid van de externe accountant.23
Ik wijs nog kort op de volgende ontwikkelingen in de wetgeving van na 2004, voor zover relevant voor dit onderzoek:
Per 1 januari 2007 trad de Wft in werking, die verschillende voormalige regelingen voor financieel toezicht verving.24
Op 28 oktober 2007 werd het Besluit openbare biedingen Wft (het Bob) ingevoerd, een regeling die het proces van een openbaar overnamebod op een beursvennootschap onderwerpt aan vaste tijdslijnen en publicatieverplichtingen en andere waarborgen instelt.25 De regels die gelden voor openbare biedingen zijn in 2012 grondig herzien.26
Op het gebied van grensoverschrijdende uitoefening van aandeelhoudersrechten werden nadere procedurele regelingen ingevoerd met de Wet van 20 juni 2010 ter uitvoering van de Europese aandeelhoudersrichtlijn van 11 juli 2007.27 Het betroffen hier voorschriften zoals de registratiedatum van 28 dagen, de oproepingstermijn van 42 dagen en de elektronische oproeping en deelname aan de AV.28
Door invoering van een wet van 30 juni 2010 kreeg de ondernemingsraad binnen de NV een ‘spreekrecht’ waarmee hij zijn standpunt kenbaar kan maken over voorgestelde belangrijke besluiten van de AV, te weten de besluiten op grond van artikel 2:107a BW (goedkeuring belangrijke bestuursbesluiten), artikel 2:134a lid 1 en artikel 2:144a lid 1 BW (benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders en commissarissen), artikel 2:135 lid 2 BW (vaststelling van het bezoldigingsbeleid) en artikel 158 lid 4 BW (benoeming van commissarissen op voordracht van commissarissen).29
De Wet bestuur en toezicht van 6 juni 2011 voorzag in de mogelijkheid om een one-tier board in te stellen bij een NV en BV en bevat tevens regelingen voor de taakverdeling binnen de raad van bestuur, tegenstrijdig belang en het aantal toezichthoudende functies dat bestuurders van bepaalde vennootschappen mogen vervullen.30
In 2012 is het enquêterecht gewijzigd in die zin dat onder meer de drempel voor kapitaalverschaffers om een enquête te verzoeken is verhoogd, ook de vennootschap zelf enquêtebevoegd is verklaard en dat het gedrag van een individuele aandeelhouder buiten de AV ter toetsing kan worden voorgelegd.31
De drempel voor houders van (certificaten van) aandelen om onderwerpen op de agenda van de AV te plaatsen is in 2012 verhoogd van 1% naar 3% van het geplaatst kapitaal van de NV.32
Hierna ga ik nog kort in op enkele relevante onderdelen van het Europees recht en enkele beoogde wijzigingen in de voor de NV relevante wetgeving.