Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/2.5.3
2.5.3 Herkennen van onmiddellijke werking
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS415010:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Dit uitgangspunt wordt thans algemeen aanvaard blijkens de toelichting bij aanwijzing 166 AR en specifiek voor het belastingrecht o.a. HR 2 mei 2001, nr. 36 199, BNB 2001/319 (m.nt. Feteris) en HR 29 maart 2002, nr. 36 655, BNB 2002/255 (m.nt. Feteris).
De meningen zijn hierover verdeeld. Haazen 2001, p. 397, vermeldt dat de zuivere onmiddellijke werking niet altijd tot het terrein van het overgangsrecht behoort. In HR 24 juli 2001, nr. 35 710, BNB 2001/375 (concl. Wattel; m.nt. J. den Boer), oordeelt de Hoge Raad naar mijn mening ten onrechte: ‘Ingevolge artikel XIX, lid 1, van laatstvermelde wet is artikel 31 van de Wet in werking getreden op 1 januari 1997. Niet is voorzien in overgangsrecht. Mitsdien heeft artikel 31 van de Wet onmiddellijke werking.’ In gelijke zin Hof Amsterdam 18 april 1995, nr. 04/0490, V-N 1995, p. 2288, pt. 9. Voermans 2000, p. 10 bestempelt onmiddellijke werking als een ‘overgangsrechtelijk reserveregime’.
Als de inwerkingtredingsbepaling niets vermeldt omtrent de werking, is de hoofdregel, onmiddellijke werking, van toepassing.1 De inwerkingtredingsbepaling van een wet vermeldt in het algemeen:
‘Deze wet treedt in werking met ingang van (...).’
Indien geen aanvullende bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de werking van de wet, is dus sprake van onmiddellijke werking. Een dergelijke inwerkingtredingsbepaling wil niet zeggen dat er geen sprake is van overgangsrecht. Ook de onmiddellijke werking is immers een temporele werking die de overgang van een oude naar een nieuwe wet regelt.2