Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/2.5.1
2.5.1 Algemeen juridische achtergrond
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS412617:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Van Praag 1912, p. 97-98.
Hijmans van den Bergh 1928, p. 18-19; de term ‘exclusieve werking’ heeft hij ontleend aan F. Affolter, die zowel terugwerkende kracht als exclusieve werking vervatte onder de term ‘Ausschlieszlichkeit’.
De Die 1979, p. 260-261.
Stb. 1987, 588.
De Die 1979, p. 260; volgens De Die neemt de Hoge Raad in zijn arrest van 10 februari 1978, nr. 11 173, NJ 1979, 217 (m.nt. Bloembergen) bewust afstand van de term ‘exclusieve werking’ door te spreken over ‘onmiddellijke – zgn. exclusieve – werking’.
Knigge 1984, p. 87-90.
Knigge 1984, p. 113.
Van der Beek 1992, p. 29.
De Vries Lentsch-Kostense 1992, p. 26.
Brunner 1991, p. 342 en Haazen 2001, p. 395.
Prast 1978, p. 6 in navolging van Duk en Jeukens 1965, p. 26.
Brunner 1991, p. 343. Brunner merkt op p. 342 voorts op dat men in Duitsland en in Frankrijk al lang geleden heeft ontdekt, dat naast formeel terugwerkende kracht ook materieel terugwerkende kracht dient te worden onderscheiden. Materieel terugwerkende kracht noemt men in Duitsland ‘unechte Rückwirkung’ of ‘Rückwirkung ex nunc’. In Frankrijk valt materieel terugwerkende kracht onder het verbod van terugwerkende kracht, aldus Brunner.
Haazen 2001, p. 396.
Haazen 2001, p. 397; Haazen merkt op p. 396 op dat zuivere onmiddellijke werking gelijkstaat aan hetgeen hier te lande ‘eerbiediging’ wordt genoemd.
Hijmans van den Bergh 1956, p. 10.
Zo ook Geppaart in Prast 1979, p. 10 en par. 1.4.2.
De invulling die aan het begrip ‘onmiddellijke werking’ wordt gegeven, heeft de vorige eeuw een turbulente ontwikkeling doorgemaakt. Aan de gedachtevorming met betrekking tot de invulling van het begrip zijn vier belangrijke impulsen gegeven. De eerste impuls betreft de invulling die tot 1980 in de literatuur door onder andere Van Praag, Hijmans van den Bergh en De Die aan het begrip werd gegeven. De tweede impuls is gegeven door Knigge. Hoewel Knigge bij de invulling van het begrip slechts gebruik heeft gemaakt van bestaande ingredienten, kwam hij met een vernieuwende zienswijze. Al hetgeen is geschreven naar aanleiding van de Overgangswet NBW vormt de derde impuls. De vierde impuls vormt de visie van Haazen.
De ontwikkeling van het begrip ‘onmiddellijke werking’ is begonnen met het onderkennen van verschillende varianten van terugwerkende kracht. In 1912 maakte Van Praag al onderscheid tussen terugwerkende kracht in enge zin en terugwerkende kracht in ruime zin. Met terugwerkende kracht in enge zin doelde hij op de inhoud die thans aan het begrip ‘terugwerkende kracht’ wordt gegeven (zie onderdeel 2.4). Van terugwerkende kracht in ruime zin was in zijn visie sprake: 1
‘als in een vóór de nieuwe wet ontstane rechtsverhouding, die na haar invoering voortbestaat, van het oogenblik dier invoering af wordt ingegrepen door bedoelde wet, zoodat deze dan wijziging brengt niet slechts in de oude wet, doch mede in de bestaande rechtsverhouding, zij het enkel voor het vervolg.’
Met de woorden ‘voor het vervolg’ doelde hij op het feit dat eerst vanaf het moment van in werking treden materiële wijzigingen in de bestaande rechtsverhoudingen kunnen worden aangebracht.
Ook Hijmans van den Bergh maakt onderscheid tussen terugwerkende kracht in enge zin en terugwerkende kracht in ruime zin. Hij maakte echter een scherper onderscheid tussen beide begrippen dan Van Praag en gaf terugwerkende kracht in ruime zin daarom de benaming ‘exclusieve werking’. Een wet heeft in de visie van Hijmans van den Berg exclusieve werking: 2
‘wanneer zij onder de oude wet voorgevallen feiten van het oogenblik van haar in werking treden af als onder haar heerschappij geschied behandelt.’
De Die vond de term ‘exclusieve werking’ een ongelukkige keuze, omdat exclusiviteit geen voorrecht van de exclusieve werking alleen is, maar terugwerkende kracht een nog verdergaande vorm van exclusieve werking betreft. Hoewel Hij-mans van den Bergh een scherp onderscheid wilde maken tussen de begrippen ‘terugwerkende kracht in enge zin’ en ‘terugwerkende kracht in ruime zin’, kwam het onderscheid tussen beide begrippen door de wijze waarop hij het begrip ‘exclusieve werking’ definieerde niet voldoende uit de verf. Om dit te verduidelijken noemt De Die een aantal voorbeelden.3 In deze voorbeelden staat centraal dat bij gebruik van de door Hijmans van den Bergh gegeven definitie niet duidelijk is wanneer de rechtsgevolgen intreden: vóór of ná het inwerkingtredingsmoment.
Voorbeeld
Met ingang van 1 januari 1988 is art. 1:233 BW gewijzigd in die zin dat de leeftijd waarop een kind meerderjarig wordt, is verlaagd van 21 naar 18 jaar. Deze wijziging is met onmiddellijke werking in werking getreden. 4 Dit betekende dat iemand die op 1 januari 1988 de leeftijd van 20 jaar had, vanaf 1 januari 1988 meerderjarig werd en niet vanaf het moment dat hij de leeftijd van 18 jaar bereikte. In het laatste geval zou immers sprake zijn van inwerkingtreding met terugwerkende kracht, omdat de nieuwe wet dan werkt vanaf het moment dat deze persoon 18 jaar werd.
Bij gebruikmaking van de definitie van Hijmans van den Bergh zou de indruk kunnen ontstaan dat de meerderjarigheid is aangevangen op het moment dat de 18-jarige leeftijd werd bereikt. In dat geval zou er echter geen onderscheid zijn met het begrip ‘terugwerkende kracht’. Ter voorkoming van onduidelijkheid over het antwoord op de vraag vanaf welk tijdstip de rechtsgevolgen aan een bepaald feit of toestand kunnen worden verbonden, is het gebruik van de term ‘onmiddellijke werking’ in de visie van De Die juister.5
Knigge kwam met een geheel vernieuwende zienswijze op het gebruik van de begrippen onmiddellijke en exclusieve werking. Hij concludeert dat het beginsel van exclusieve werking naast dat van onmiddellijke werking betekenis heeft.6 Een onmiddellijk werkende wet kan in zijn opvatting exclusief, maar ook eerbiedigend werken. De achterliggende gedachte van deze opvatting is dat terugwerkende kracht, onmiddellijke werking en uitgestelde werking in de visie van Knigge begrippen zijn die drie gelijksoortige werkingen van wetten in de tijd vertegenwoordigen. Het gaat bij alle drie werkingen om het begin van de periode ten aanzien waarvan de wet werkt. De begrippen ‘exclusieve werking’ en ‘eerbiedigende werking’ geven slechts aan ten aanzien van welke rechtsposities de wet werkt. Indien een wet met onmiddellijke werking in werking treedt en exclusief werkt, betekent dat dat ten tijde van de inwerkingtreding bestaande toestanden vanaf dat moment onder de heerschappij van de nieuwe wet vallen. Indien daarentegen sprake is van een wet die met onmiddellijke werking in werking treedt en eerbiedigend werkt, blijven de op het moment van inwerkingtreding bestaande toestanden onder de heerschappij van de oude wet vallen. Knigge concludeert dat exclusieve en eerbiedigende werking termen zijn met een beperkte praktische betekenis. Interpretatieproblemen die zich bij de onmiddellijke toepassing van de wet voordoen – dienen op het moment van in werking treden bestaande toestanden te worden geëerbiedigd? – kunnen met behulp van deze begrippen worden gekenmerkt.7
Gelet op de hoeveelheid literatuur die de Overgangswet NBW heeft opgeleverd, kan wel worden gesteld dat die wet het onderzoek naar overgangsrecht nieuw leven heeft ingeblazen. De Overgangswet NBW beschouwt onmiddellijke werking als de hoofdregel van het overgangsrecht. De wetgever heeft – tegen het advies van de Raad van State in – gekozen voor het gebruik van deze term, en niet voor de term ‘exclusieve werking’. De achterliggende reden hiervan is dat de term ‘onmiddellijke werking’ duidelijk weergeeft vanaf welk moment de nieuwe wet van toepassing is, waardoor bovendien de afbakening ten opzichte van het begrip ‘terugwerkende kracht’ duidelijk wordt.8 Aanvankelijk was de hoofdregel van het overgangsrecht – in overeenstemming met aanwijzing 74 van de Aanwijzingen voor de wetgevingstechniek (thans: Aanwijzingen voor de regelgeving) – niet neergelegd in een bepaling. Desondanks besloot de wetgever – naar aanleiding van in de literatuur geuite kritiek omtrent de inhoud van het begrip ‘onmiddellijke werking’ – tot het opnemen van art. 68a Overgangswet NBW, waarin het begrip ‘onmiddellijke werking’ werd gedefinieerd.9 De bepaling luidt als volgt:
‘Van het tijdstip van haar in werking treden af is de wet van toepassing, indien op dat tijdstip is voldaan aan de door de wet voor het intreden van een rechtsgevolg gestelde vereisten, tenzij uit de volgende artikelen iets anders voortvloeit.’
Ook deze definitie is niet vrij van kritiek gebleven. Deze kritiek spitst zich toe op de woorden ‘dat tijdstip’. Door slechts iets te regelen voor de situatie waarin op het inwerkingtredingsmoment aan de voor het intreden van een rechtsgevolg gestelde vereisten wordt voldaan, worden op het inwerkingtredingsmoment bestaande toestanden ten aanzien waarvan het rechtsgevolg pas op een later moment intreedt buiten beschouwing gelaten. Over de vraag of dat terecht is, zijn de meningen verdeeld.10
Voorts is kritiek geuit op het onderscheid dat de wetgever inzake het overgangsrecht NBW maakt tussen terugwerkende kracht en onmiddellijke werking. Volgens de wetgever heeft onmiddellijke werking niets met terugwerkende kracht te maken. In de literatuur wordt vermoed dat de wetgever dit scherpe onderscheid maakt, om te voorkomen dat in strijd met art. 4 Wet AB wordt gehandeld.11 Zoals uit het voorgaande blijkt, komt deze gedachte echter niet overeen met de in de literatuur heersende opvatting. Jarenlang werd immers al een duidelijk verband tussen terugwerkende kracht en onmiddellijke werking gelegd. Prast wijst er bijvoorbeeld op dat de onmiddellijke invoering van art. 44 Wet IB 1964 op 1 januari 1965, welke bepaling mede van toepassing is op stortingen op aandelen na 31 december 1945, in feite terugwerkende kracht heeft.12 Brunner geeft een en ander kernachtig als volgt weer:13
‘In gevallen waarin onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet op overgangsgevallen tot gelijke uitkomst leidt als wanneer de wet formeel terugwerkende kracht zou hebben, kleven aan onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet precies dezelfde bezwaren als aan terugwerkende kracht.’
Haazen acht de benadering van de wetgever in het kader van de totstandkoming van de Overgangswet NBW onwenselijk vanwege haar immuniserend karakter.14 De discussie over de rechtvaardigheid van onmiddellijke werking wordt op deze wijze ontlopen. Haazen maakt dan ook onderscheid tussen enerzijds zuivere onmiddellijke werking en anderzijds onmiddellijke werking met terugwerkende kracht. Indien de rechtsgevolgen van de nieuwe regel ook na de inwerkingtreding niet aan op het moment van inwerkingtreding bestaande rechtstoestanden worden verbonden, is terugwerking uitgesloten, zodat kan worden gesproken van zuivere onmiddellijke werking.15 Indien de rechtsgevolgen na de inwerkingtreding ook op het moment van inwerkingtreding bestaande toestanden worden toegepast, is sprake van onmiddellijke werking met terugwerkende kracht.
Volgens aanwijzing 166 AR houdt onmiddellijke werking het volgende in:
‘Een nieuwe regel is niet slechts van toepassing op hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, doch ook op hetgeen bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande rechtsposities en verhoudingen.’
Opvallend is dat in de Aanwijzingen voor de regelgeving expliciet wordt gesproken over rechtsposities en verhoudingen, maar dat feiten slechts impliciet aan de orde komen. Ook Haazen vestigt met name de aandacht op de behandeling van rechtstoestanden. Hijmans van den Bergh achtte daarentegen alleen feiten van belang.16 Als wordt gesproken over een ontstane rechtsbetrekking betekent dat volgens hem alleen dat de wet bepaalde feiten rechtens relevant heeft geacht en daaraan een rechtsgevolg heeft gehecht. Zoals ik hierna zal beschrijven, acht ik in dit onderzoek zowel feiten als toestanden van belang.17
Geconcludeerd kan worden dat de opvattingen in de literatuur over de betekenis van onmiddellijke werking geenszins gelijkluidend zijn. Hierna zal ik aan de hand van hetgeen is besproken tot een eigen definitie komen.