Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/6.4.5
6.4.5 Klachtbeding met als sanctie repercussie voor bewijslevering (type IVa en IVb)
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973561:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
MvT, Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14, 1991, p. 146; MvA II, Parl. Gesch. BW Inv. 3, 4 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14, 1991, p. 152; Parl. Gesch. BW Boek 6, 1981, p. 315-317. Zie voorts HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593, NJ 2017/163 (Far Trading/Edco Eindhoven), r.o. 5.6.1.
Tamboer 2008; De Vries 2004, p. 19.
Asser Procesrecht/Asser 3 2023/108a; Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/153; Van der Wiel 2002.
HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9470, NJ 2010/471 (Verschoningsrecht Mediator), r.o. 3.3. Men moet zich in een procedure uitdrukkelijk op een bewijsovereenkomst beroepen voordat de rechter erover mag oordelen, aldus de Hoge Raad in dit arrest.
Welk bedingtype ik in rechtspraak niet terugvond.
Denkbaar is dat de klachtregeling als sanctie bepaalde repercussies voor de bewijslevering voorschrijft. Te denken valt aan omkering van de bewijslastverdeling (bijvoorbeeld met betrekking tot de toerekenbaarheid van een tekortkoming ex art. 6:74 BW), uitsluiting van bepaalde bewijsmiddelen (bijvoorbeeld bepaalde getuigen of bewijsstukken), de bewijskracht van bepaalde bewijsmiddelen en de uitsluiting van of de wijze van tegenbewijslevering.1 Deze sanctie sluit goed aan bij de ratio van de wettelijke klachtplichten, die de schuldenaar beogen te beschermen tegen late en daardoor moeilijk betwistbare klachten.2 In de literatuur is zelfs betoogd dat de wettelijke klachtplichten, in plaats van de sanctie verval van recht, in sommige gevallen bewijsleveringsconsequenties als sanctie op ontijdige klachten zouden moeten stellen.3
Uit de rechtspraak zijn mij geen voorbeelden van dit type klachtbeding bekend. Naar mijn mening kan dit bedingtype evenwel nuttig zijn. Een voorbeeld: bij een bepaald type product is vanaf een zeker moment niet goed meer te bepalen in hoeverre een gebrek zijn oorzaak vindt in een door de verkoper gemaakte fout. Het kan voor de verkoper dan dienstig zijn om een klachtbeding te hanteren dat vanaf dat moment bepaalt dat, in afwijking van art. 6:74 BW, de toerekenbaarheid van de tekortkoming door de koper moet worden bewezen.
Dit type klachtbeding kwalificeert als bewijsovereenkomst als bedoeld in art. 153 Rv. Indien het klachtbeding beoogt om na ommekomst van de klachttermijn bepaalde bewijsmiddelen uit te sluiten van bewijslevering, is bovendien sprake van een vaststellingsovereenkomst (art. 7:900 lid 3 BW).4 Een bewijsovereenkomst wordt buiten toepassing gelaten indien partijen contractueel bewijslevering beogen te regelen van feiten, waaraan het recht gevolgen verbindt die niet ter vrije bepaling van partijen staan (art. 153 Rv). Dat geldt ook indien de bewijsovereenkomst als vaststellingsovereenkomst kwalificeert. Hoewel voor vaststellingen in een dergelijke overeenkomst geldt dat eventuele strijdigheid met dwingend recht in beginsel niet aan de geldigheid van de overeenkomst in de weg staat (vgl. art. 7:902 BW), komt deze regel (art. 7:902 BW) in het geval van een bewijsovereenkomst geen betekenis toe.5 In geval van bewijslevering ten aanzien van gebrekkige prestaties in de zin van art. 6:89 en art. 7:23 lid 1 BW zou daar slechts sprake van zijn in geval van een consumentenkoop. Art. 7:6 lid 1 BW verbiedt afwijkingen ten nadele van de koper van titel 7.1, afdeling 1-7 van het BW. In dit verband is met name van belang het wettelijke vermoeden van non-conformiteit bij consumentenkoop ex art. 7:18 lid 2 BW indien de afwijking van het geleverde ten opzichte van de overeenkomst zich binnen zes maanden na levering openbaart.6 Buiten de consumentencontext zijn bewijsovereenkomsten met betrekking tot bewijslevering van, kort gezegd, non-conformiteit in beginsel mogelijk.
Gelet op het belang van waarheidsvinding en een goede rechtsbedeling door de civiele rechter mag niet spoedig worden aangenomen dat sprake is van een bewijsovereenkomst waarin bewijslevering door middel van bepaalde bewijsmiddelen is uitgesloten. Daarvoor is een uitdrukkelijk daarop gerichte bepaling in de overeenkomst vereist, aldus de Hoge Raad.7 Dit gezichtspunt kan van belang zijn voor de vraag of een contractuele klachtregeling, die bepaalde bewijsmiddelen van bewijslevering beoogt uit te sluiten, maar deze uitsluiting aan een vage (niet voor heldere uitleg vatbare) klachttermijn verbindt,8 moet worden uitgelegd. Als de rechter zou menen dat toepassing op onredelijke wijze afbreuk zou doen aan het belang van waarheidsvinding in de aan hem voorgelegde zaak, bestaat grond om de klachttermijn ruimer te interpreteren dan wel, indien het partijdebat in die sleutel wordt gevoerd, het beding op grond van de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid buiten toepassing te laten. Dat laatste is ook mogelijk bij een klachtbeding met een precies geformuleerde klachttermijn, waarbij in de uitlegfase geen ruimte bestaat om dit soort gezichtspunten van betekenis te laten zijn: de tekst van het beding leidt voor wat betreft de termijn immers tot een duidelijk resultaat.