Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.6:4.3.6 Tussenconclusie inhoud van de bepaling
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.6
4.3.6 Tussenconclusie inhoud van de bepaling
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS494243:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Sinds 1 januari 2017 is de nationale regeling voor oninbare vorderingen woordelijk op die van de Btw-richtlijn afgestemd (art. 29 lid 1 Wet OB 1968). Alle categorieën van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn zijn vertegenwoordigd. Bij de bespreking van het nationale recht heb ik mij gefocust op de categorie ‘niet-betaling’. Vanwege het ontbreken van een Unierechtelijke definitie van dit begrip, meen ik dat lidstaten hier zelf invulling aan mogen geven. Ik heb betoogd dat de onder art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017) ontwikkelde rechtspraak over (niet-)betaling zijn belang in dat verband niet verloren heeft en dat een belangrijke rol is weggelegd voor het civiele recht. Anders dan het Unierecht voorziet de nationale regeling in een aantal onderdelen die nader invulling geven aan het uitgangspunt dat de maatstaf van heffing bij niet-betaling wordt verlaagd. Zo bepaalt art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (vanaf 2017) wanneer het daaruit voortvloeiende recht op teruggaaf ontstaat. Wat dat aangaat ben ik van mening dat het (eveneens onder het oude recht ontwikkelde) redelijkheidscriterium zijn belang niet heeft verloren. Op het fatale karakter van de éénjaarstermijn heb ik de nodige kritiek geuit. Art. 29 lid 5 Wet OB 1968 schrijft voor dat (feitelijk) op het recht op teruggaaf wordt teruggekomen als de ondernemer later alsnog een betaling ontvangt. Hoewel deze bepaling naar mijn idee recht doet aan de doelstellingen van de btw, kan over de geldigheid wordt getwijfeld. Art. 29 lid 6 Wet OB 1968 bevat vervolgens een indeplaatstredingsregeling voor vorderingen die worden overgedragen. Ik heb geconstateerd dat deze regeling ten onrechte beperkt is tot ondernemers. Mede voor het geval dat de regeling onverenigbaar moet worden geacht met het Unierecht heb ik stilgestaan bij de vraag of en in hoeverre het civiele recht mogelijkheden biedt de rechten en verplichtingen uit art. 29 Wet OB 1968 over te dragen. In theorie zou dit mogelijk moeten zijn. Tot slot bevat art. 29 lid 4-6 en 10 Wet OB 1968 regels omtrent de wijze waarop het recht op teruggaaf moet worden geëffectueerd. Ten opzichte van art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017) is de wetgever er naar mijn mening in geslaagd de regeling op dit (formele) punt te vereenvoudigen. Mijn conclusies omtrent de verenigbaarheid met het Unierecht en rechtskarakter zet ik hierna uiteen (paragrafen 4.4 en 4.5).