RvdW 2025/792:Ontucht met 16-jarige leerlinge door 50-jarige leraar op middelbare school (meermalen gepleegd), art. 249 lid 1 (oud) Sr. Vrijspraak in eerste aanleg van (impliciet cumulatief tlgd.) fysiek contact met veroordeling voor het sturen van foto’s en video’s. Bewijsklachten. 1. Kon hof ttz. in hoger beroep afgelegde verklaring van verdachte voor bewijs gebruiken, nu hij zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen? 2. Bewijsminimum, art. 342 lid 2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangeefster voldoende steun in ander bewijsmateriaal? HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Terechte klacht maar geen cassatie bij gebrek aan belang. Vastgesteld kan worden dat ’s hofs conclusie dat het verdachte was die berichten heeft gestuurd in cassatie niet wordt betwist en in cassatieschriftuur zelfs als uitgangspunt wordt genomen. Aangeefster heeft verklaard dat zij foto’s en video’s van verdachte heeft ontvangen, dat hij deze uit zichzelf heeft verstuurd en dat ze foto heeft die hij heeft gestuurd. Daarnaast volgt uit (voor bewijs gebruikt) p-v van bevindingen dat in whatsappgesprek tussen aangeefster en iemand die in haar telefoon staat als verdachte door verdachte verschillende foto’s en filmpjes van penis zijn verzonden. Uit deze f&o heeft hof al kunnen afleiden dat het verdachte was die seksueel getinte foto’s en video’s naar aangeefster heeft gestuurd, in aanmerking dat door verdediging in h.b. niet is betwist dat verdachte degene is geweest die whatsappgesprek met aangeefster heeft gevoerd en dat hij deze video’s en foto’s aan haar heeft verzonden. Dat betekent dat indien verklaring van verdachte wordt weggedacht uit bewijsvoering, ’s hofs oordeel dat verdachte seksuele getinte video’s en foto’s naar aangeefster heeft gestuurd, toereikend is gemotiveerd. Ad 2. I.v.m. appgesprekken heeft hof vastgesteld dat verdachte en aangeefster elkaar allerlei persoonlijke dingen vertellen en veel intiem contact onderhouden. Dat er ook sprake was van seksueel contact leidt hof o.m. af uit omstandigheid dat verdachte niet geschrokken of met onbegrip reageert wanneer aangeefster in appgesprek vraagt of hij bedoelt met dat hij wil dat relatie teruggaat naar hoe het eerder was, ‘zoals toen met afspraakjes, veel app-contact, seksueel/intiem contact’. Hof wijst er ook op dat verdachte op vraag van aangeefster of hij lichamelijk contact wil, antwoordt met ‘Willen ja’ en dat hij diezelfde dag nog seksuele video’s en foto’s en seksueel getinte berichten naar aangeefster stuurt. Hof heeft verder vastgesteld dat aangeefster heeft verklaard dat zij en verdachte aan begin van meivakantie hebben afgesproken en in bos ge(tong)zoend hebben. Getuige heeft verklaard dat zij ook docent is op desbetreffende school en dat zij verdachte en aangeefster samen in bos heeft gezien en dat ze daarvan schrok. Andere getuige heeft verklaard dat aangeefster haar een keer heeft verteld dat ze met verdachte naar visvijver is geweest en dat ze daar gekust hadden, dat zij het lastig vond dat zij gevoelens voor hem had gekregen en dat zij achteraf dingen tegen haar zin heeft gedaan. Hof heeft daarmee toereikend en niet onbegrijpelijk gereageerd op hetgeen namens verdediging i.v.m. betrouwbaarheid van aangeefster en (ontbreken van) steunbewijs heeft aangevoerd. Volgt verwerping.