Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.3.2.3
II.5.3.2.3 Geschrapte eis van onmiddellijke identificeerbaarheid
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623679:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rapport Commissie Erfrecht II, p. 169.
Kamerstukken I 1968/69, 3771, 133, p. 34 (MvA I), Parl. Gesch. Vast. p. 726.
Kamerstukken II 1981/82, 17141, 2, p. 17 (RO), Parl. Gesch. Inv. p. 2001.
Kamerstukken II 1981/82, 17141, 3, p. 58 (MvT), Parl. Gesch. Inv. p. 2001.
F. Schols, Handboek Erfrecht 2011, p. 239.
Kamerstukken II 1962/63, 3771, 6, p. 78 (MvA II), Parl. Gesch. Vast. p. 717.
Kamerstukken II 1981/82, 17141, 3, p. 58 (MvT), Parl. Gesch. Inv. p. 2001.
Zie ook Kamerstukken I 1968/69, 3771, 133, p. 34 (MvA I), Parl. Gesch. Vast. p. 726.
Zie paragraaf 4.3.4 ‘Art. 6:227 BW’ en paragraaf 4.3.8 ‘Subjecten van de verbintenis: bepaald of bepaalbaar’.
Vanuit de Commissie Erfrecht werd kritiek geleverd op de definitie van het legaat in het Gewijzigd Ontwerp. Wat voor de erfstelling geldt, behoeft huns inziens namelijk niet ook voor het legaat te gelden:
‘Met het oog op de belangen van derden en de vereffening van de nalatenschap is het gewenst, dat niet onzeker is de identiteit van de erfgenaam. Daarom kan men billijken, dat de wetgever de testeervrijheid in zover inperkt, dat niet toegestaan is een erfgenaam te benoemen, wiens identiteit enige tijd in het onzekere blijft. Doch wanneer men ervan uitgaat, dat legaat geen eigendom, doch slechts een vordering tot afgifte geeft, is er geen reden ook ten aanzien van het legaat het vereiste te stellen, dat men aan de hand van het testament en de op het ogenblik van het overlijden bekende omstandigheden moet kunnen vertellen wie legataris is. Voldoende zij, dat bepaalbaar is wie legataris zal zijn (curs. NB).’1
Dat is klare taal. De (materiële) aard van de erfstelling verschilt wezenlijk van de (materiële) aard van het legaat. Het legaat roept immers slechts een vorderingsrecht in het leven en de identiteit van de legataris dient hiervoor niet onmiddellijk duidelijk te zijn. Zo zag later ook de minister in. Volgens hem is de eis van onmiddellijke identificeerbaarheid meer op zijn plaats bij een erfstelling dan bij een legaat. Want:
‘Bij erfstellingen vloeit het vereiste immers voort uit het stelsel dat bij het overlijden van de erflater diens goederen en schulden van rechtswege overgaan op zijn erfgenamen, hetzij de versterferfgenamen, hetzij de bij uiterste wil ingestelde. Met de gedachte van de memorie van antwoord II, dat hetzelfde vereiste ook voor legatarissen behoort te gelden en dat bij gebreke daarvan slechts sprake kan zijn van een last, kan de ondergetekende zich niet verenigen. Uit de bestaanseis voor de legataris op het ogenblik van het overlijden volgt wel de onmisbaarheid van de mogelijkheid tot diens identificatie, maar niet dat deze identificatie al bij het openvallen van de nalatenschap moet kunnen geschieden. Ook acht hij het geen bezwaar dat van een verplichting, die eerst na identificatie kan worden vervuld, ook pas na verloop van kortere of langere tijd nakoming kan worden gevorderd. Hetzelfde doet zich immers voor wanneer een verbintenis uit legaat tot betaling van een geldsom aan een persoon, wiens identiteit onmiddellijk na het overlijden wel is komen vast te staan, door een tijdsbepaling is opgeschort. Naar de mening van de ondergetekende ware artikel 4.4.2.1 bij de Invoeringswet derhalve alsnog in die zin te wijzigen dat het vereiste van onmiddellijke identificatie voor het legaat daaruit verdwijnt, bij voorbeeld door schrapping van de woorden ‘daarbij aangewezen’ uit het eerste lid (curs. NB).’2
De woorden ‘daarbij aangewezen’ zijn vervolgens dan ook uit art. 4:117 BW geschrapt.3 Het is bij een legaat zodoende niet nodig dat de legataris bij het openvallen van de nalatenschap onmiddellijk moet kunnen worden geïdentificeerd. Het bepaaldheidsvereiste ten aanzien van het bepalen van de legataris lijkt dan ook soepel opgevat te kunnen worden, in die zin dat bepaalbaarheid voldoet. Dit biedt dan mogelijkheden om ten aanzien van de persoon van de legataris te delegeren. De minister merkt in de toelichting, betreffende art. 4:117 BW, echter op dat:
‘Blijkens de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer, blz. 78, derde alinea, brengt de zinsnede «een of meer daarbij aangewezen personen» mede tot uitdrukking dat de personen door de erflater zelf moeten zijn aangewezen, en dat een verwijzing bij uiterste wil naar een elders gedane aanwijzing niet voldoende is. Het vervallen van de woorden «daarbij aangewezen» beoogt hierin geen wijziging te brengen; de gewijzigde bepaling spreekt immers van een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater een of meer personen een vorderingsrecht toekent (curs. NB).’4
F. Schols legt dit als volgt uit:
‘Het schrappen van de woorden “daarbij aangewezen” heeft niet de bedoeling ongeoorloofde delegatie toe te staan dan wel vormvoorschriften opzij te zetten.’5
Mijns inziens kan in deze uitleg het woord ‘ongeoorloofde’ zelfs geheel weggelaten worden. In de zojuist aangehaalde Memorie van Toelichting op art. 4:117 BW schemert namelijk door dat delegatie ten aanzien van de legataris in het geheel onmogelijk is. Blijkens de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer brengt de term ‘een of meer daarbij aangewezen personen’ immers tot uitdrukking dat:
‘de personen door de erflater zelf moeten zijn aangewezen en dus niet door een ander, noch, buiten de bijzondere gevallen van artikel 4.3.2.2 leden 2-4, door omstandigheden intredende na zijn dood kunnen worden bepaald, maar ook dat niet voldoende is een verwijzing bij uiterste wil naar een aanwijzing die de erflater voor of nadien mondeling of in een niet aan de vormvereisten voldoend schriftuur heeft gedaan.’6
In de Memorie van Toelichting wordt, zoals we zojuist zagen, met het schrappen van de woorden ‘daarbij aangewezen’ niet beoogd om verandering te brengen in het vereiste dat de legataris(sen) door de erflater zelf moet(en) zijn aangewezen en dat een verwijzing bij uiterste wil naar een elders gedane aanwijzing niet voldoende is.7 Ofwel: de erflater moet zelf bepalen wie als legataris optreedt en mag dit niet overlaten aan een ander. Ondanks het vervallen van de woorden ‘daarbij aangewezen’ en het hierin gelegen vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid kan er zodoende niet ‘gedelegeerd’ worden ten aanzien van de legataris. De enige versoepeling die het schrappen van de woorden ‘daarbij aangewezen’ brengt, is de mogelijkheid om een legaat te maken waarin de legataris door omstandigheden intredende na erflaters dood wordt bepaald. De voorheen in een last geconverteerde beschikking ten voordele van de winnaar van de Nobelprijs voor de vrede in het jaar na erflaters overlijden, kan nu dus als rechtsgeldig legaat worden aangemerkt.8
Blijkens de Memorie van Toelichting kan een ander dus niet bepalen wie als legataris optreedt. Dit strookt mijns inziens niet met het verbintenisrechtelijke karakter van het legaat en het bepaaldheidsvereiste dat voor verbintenisrechtelijke verhoudingen geldt. Te weten een soepel bepaaldheidsvereiste, in die zin dat bepaalbaarheid, die nader ingekleurd kan worden aan de hand van subjectieve elementen, volstaat.9