Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/2.11
2.11 Het verbreed eigendomsvoorbehoud
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS400824:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388.
Vgl. Reehuis 2013, nr. 37.
Zo echter Mezas 1985, p. 10-11, R.D. Vriesendorp, ‘Het eigendomsvoorbehoud en het overgangsrecht NBW’, Advocatenblad 1985, p. 436, L.C.A. Verstappen, ‘Financiering door de verkoper: hypotheek of voorwaardelijke levering?’, WPNR 1993 (6083), p. 162 en Mincke 1995, p. 176, voetnoot 9. Vgl. ook Asser/ Beekhuis 3-I 1980, p. 171.
Zie hierna in hoofdstuk 3, paragraaf 3.5.1.
De Groot 1977, p. 649 en Mezas 1985, p. 10-11.
Zie hoofdstuk 6, paragraaf 6.5.1.
Vgl. Scholten 1906. p. 93.
Zie bijv. MünchKomm-InsO/Ganter 2013, § 48 InsO, Rn. 93 en Uhlenbruck/Brinkmann 2015, § 47 InsO, Rn. 34 en BGH 10 februari 1971, NJW 1971, 799: ‘In einem derartigen Falle erfüllt der erweiterte Eigentumsvorbehalt die Aufgabe, die im allgemeinen einer Sicherungsübereignung zukommt, denn er dient der dinglichen Sicherung von Forderungen, die nicht den Sicherungsgegenstand betreffen.’
Zie hoofdstuk 6, paragraaf 6.5.2.
Zie voor een nadere uitwerking hoofdstuk 3, paragraaf 3.5.
Door Reehuis 1987, p. 205 en Reehuis 2013, nr. 35 wordt echter (voorzichtig) verdedigd dat de beperking van lid 2 van art. 3:92 BW ook geldt in het kader van het voorbehouden van een vuistloos pandrecht. Daartegen pleit dat de positie van de verkoper als vuistloos pandhouder niet problematisch is in het licht van de strekking van lid 2, namelijk (volgens de wetgever) het tegengaan van eigendom tot zekerheid en in het verlengde daarvan (zie nader hoofdstuk 3, paragraaf 3.5 en hoofdstuk 6, paragraaf 6.6) de bescherming van de koper die de koopprijs reeds volledig heeft voldaan. Weliswaar berust de rang van het pandrecht van de verkoper op de toevalligheid dat hij voorheen eigenaar was, maar dat is geen bezwaar tegen het voorbehouden pandrecht. De mogelijkheid om voorrang te verkrijgen ten opzichte van overige schuldeisers berust namelijk dikwijls op een toevalligheid. Terecht wordt de mogelijkheid van een voorbehouden pandrecht voor vorderingen die buiten de reikwijdte van art. 3:92 lid 2 BW vallen dan ook aanvaard door bijv. Mezas 1985, p. 148, Vriesendorp 1985b, p. 536, Bruijn & Maas 1990, p. 687, Brahn 1991, p. 145, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 491 en Asser/Van Mierlo 3-IV 2016, nr. 538.
De hiervoor geschetste benadering van de functie van het eigendomsvoorbehoud ligt in het verlengde van de parlementaire geschiedenis met betrekking tot de oorspronkelijke regeling van het eigendomsvoorbehoud. De verkoper kon de eigendom uitsluitend voorbehouden ‘ter zake van een tezelfdertijd overeengekomen tegenprestatie.’ Daarmee blijkt duidelijk dat de centrale functie van het eigendomsvoorbehoud gelegen is in de handhaving van de wederkerigheid van de beide prestaties uit de contractuele verhouding. In 1985 heeft de regeling van het eigendomsvoorbehoud haar huidige vorm gekregen en is het type vorderingen waarvoor het eigendomsvoorbehoud rechtsgeldig kan worden bedongen, uitgebreid. De oorspronkelijke beperking tot de door de koper verschuldigde tegenprestatie was ingegeven door het fiduciaverbod:
‘Dit alles [de rechtvaardiging voor het eigendomsvoorbehoud; toevoeging EFV] geldt echter slechts, zolang het om een vordering ter zake van de terzelfder tijd bedongen tegenprestatie gaat: in de regel dus de koopprijs (…). Het geldt echter niet, indien de verkoper zou hebben bedongen dat het eigendomsvoorbehoud ook tot zekerheid van andere vorderingen zal strekken. Met betrekking tot deze laatste vorderingen onderscheidt hij zich immers niet van andere schuldeisers. Door voormeld beding zou de verkoper zich ten onrechte voor die andere vorderingen een eigendom tot zekerheid kunnen verschaffen, die voor andere schuldeisers is uitgesloten wegens artikel 2 lid 3 [art 3:84 lid 3 BW; toevoeging EFV] dat aan eigendomsoverdracht tot zekerheid in de weg staat. De ratio van artikel 2 lid 3 brengt mee dat dit niet mogelijk moet zijn.’1
Tegen deze achtergrond zou men kunnen twijfelen of het eigendomsvoorbehoud nog wel de hiervoor verdedigde functie heeft, nu het ook kan worden bedongen voor andere vorderingen dan de uit dezelfde koopovereenkomst voortvloeiende tegenprestatie.
Juist is de opmerking in het aangehaalde citaat dat de uitbreiding van het aantal vorderingen op gespannen voet staat met het daarvoor als rechtvaardiging voor het bestaansrecht van het eigendomsvoorbehoud genoemde argument dat het eigendomsvoorbehoud de rechten van de verkoper bij ontbinding veiligstelt. Indien het eigendomsvoorbehoud wordt bedongen voor een andere vordering dan de directe tegenprestatie, fungeert het eigendomsvoorbehoud niet als waarborg van het wederkerige karakter van de koopovereenkomst, aangezien van tegenover elkaar staande verplichtingen geen sprake is. Het verbreed eigendomsvoorbehoud strekt derhalve verder dan het waarborgen dat de verkoper het voorwerp van zijn eigen prestatie terugontvangt als de koper in gebreke blijft met de voldoening van de daartegenover staande prestatie. In het algemeen vormt de omstandigheid dat de wederpartij een andere vordering – dat wil zeggen: een niet uit de desbetreffende overeenkomst voortvloeiende vordering – niet voldoet, geen grond voor ontbinding van de desbetreffende overeenkomst. Een tekortschieten in de nakoming van overeenkomst A is gewoonlijk geen reden voor ontbinding van overeenkomst B.2
Anders dan de wetgever in het hierboven aangehaalde citaat lijkt te suggereren, maakt de mogelijkheid van een verbreding van het eigendomsvoorbehoud echter niet dat (ter zake van de overige vorderingen) sprake is van een vorm van zekerheidseigendom.3 Daarvoor is redengevend dat de techniek van uitoefening van een verbreed eigendomsvoorbehoud niet verschilt van die van een eenvoudig eigendomsvoorbehoud. De wetgever heeft het verbreed eigendomsvoorbehoud namelijk simpelweg in het keurslijf van het eenvoudig eigendomsvoorbehoud gedrongen, door het type vorderingen waarvoor het eigendomsvoorbehoud kan worden bedongen uit te breiden in lid 2 van artikel 3:92 BW. Daarbij heeft de wetgever een pragmatische aanpak gekozen om de onwenselijke consequenties te ondervangen die zouden ontstaan bij gebreke van de mogelijkheid om het eigendomsvoorbehoud te verbreden.4
Wat betreft structuur, functie en techniek van uitoefening verschilt het verbreed eigendomsvoorbehoud daarmee op geen enkel punt van het eenvoudig eigendomsvoorbehoud. Ook voor de uitoefening van het verbreed eigendomsvoorbehoud geldt namelijk dat de verkoper de koopovereenkomst dient te ontbinden, waarin het eigendomsvoorbehoud is bedongen. Daardoor bevrijdt de verkoper zich van zijn verplichting tot eigendomsverschaffing en kan hij de zaak als eigenaar onder de koper opvorderen. De meerwaarde die het verbreed eigendomsvoorbehoud aan de verkoper biedt, is gelegen in het feit dat de verkoper de mogelijkheid heeft om de koopovereenkomst ook te ontbinden vanwege het feit dat de koper een andere prestatie, die zelfs niet haar grondslag hoeft te hebben in de desbetreffende koopovereenkomst, niet heeft voldaan. Door middel van het verbreed eigendomsvoorbehoud breidt de verkoper derhalve zijn ontbindingsmogelijkheden uit, hetgeen op grond van de contractsvrijheid in beginsel toelaatbaar is. Artikel 3:92 lid 2 BW verschaft een dergelijke afspraak vervolgens ook op goederenrechtelijk niveau geldigheid, doordat de bepaling het toestaat dat ook de eigendom wordt voorbehouden voor de in het artikellid genoemde vorderingen.
Onder het oude recht is wel verdedigd dat de uitoefening van een verbreed eigendomsvoorbehoud in tegenstelling tot het eenvoudig eigendomsvoorbehoud zou moeten geschieden overeenkomstig de regels die gelden voor pandrecht, omdat per saldo nog slechts sprake zou zijn van zekerheidseigendom.5 In hoofdstuk 6 wordt betoogd dat deze benadering niet past bij de omstandigheid dat het eigendomsvoorbehoud is ingebed in een koopovereenkomst, op grond waarvan de verkoper zich verplicht tot overdracht van de verkochte zaak en op grond waarvan de koper het recht heeft de zaak onder zich te hebben.6 Indien de uitoefening van het verbreed eigendomsvoorbehoud niet gepaard zou gaan met ontbinding van de koopovereenkomst, zou de verkoper verplicht blijven tot eigendomsoverdracht. De verkoper zou de zaak strikt genomen tot in lengte van jaren beschikbaar moeten houden, omdat nakoming van de koper nog mogelijk is.7 Indien de executie van de verkochte zaak derhalve zou resulteren in een volledige bevrediging van de verkoper, zou hij bovendien tekortschieten in de nakoming van diens verplichting tot eigendomsverschaffing.
Iets anders laat zich slechts verdedigen indien men de koopovereenkomst bij een verbreed eigendomsvoorbehoud na betaling van de koopprijs door de koper, geheel buiten beschouwing laat. Een dergelijke weg is het Duitse recht ingeslagen met betrekking tot het erweiterte Eigentumsvorbehalt. In de Duitse literatuur en rechtspraak wordt aangenomen dat het eigendomsvoorbehoud na betaling van de koopprijs van kleur verschiet, in die zin dat het vanaf dat moment wordt beschouwd als een vorm van zekerheidseigendom.8 In hoofdstuk 6 zal nader op deze benadering worden ingegaan en wordt betoogd dat het niet alleen moeilijk is dit rechtsgevolg sluitend te onderbouwen, maar dat deze constructie bovendien voor het Nederlandse recht niet gevolgd zou moeten worden.9
Uit de wijze van uitoefening van het verbreed eigendomsvoorbehoud blijkt bovendien dat het, anders dan de wetgever suggereert, niet zozeer de voorbehouden eigendom is die zekerheid biedt voor de voldoening van de overige vorderingen waarvoor het eigendomsvoorbehoud is bedongen, maar de reeds door de koper betaalde som geld. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Een verkoper verkoopt een machine voor € 1000,- en installeert deze machine ook voor € 250,-. In dat kader bedingt hij een eigendomsvoorbehoud voor beide vorderingen. Indien de koper de koopprijs volledig heeft betaald, maar in gebreke blijft met de voldoening van de resterende € 250,-, kan de verkoper overgaan tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud. Noodzakelijk is daarvoor dat hij de koopovereenkomst ontbindt, omdat de koper aan die koopovereenkomst het recht ontleent om de machine onder zich te hebben en de verkoper zich aldus bovendien bevrijdt van zijn verplichting tot eigendomsverschaffing. Door de ontbinding van de koopovereenkomst ontstaan er ongedaanmakingsverbintenissen (art. 6:271 BW). De koper is verplicht de zaak teug te geven aan de verkoper. Zoals hiervoor is opgemerkt, kan de verkoper met een eigendomsvoorbehoud deze ongedaanmakingsvordering realiseren door middel van zijn revindicatievordering, door de zaak simpelweg als eigenaar op te vorderen onder de koper (art. 5:2 BW). De verkoper is verplicht de koper de betaalde koopprijs (€ 1000,-) te restitueren. Tegelijkertijd heeft de verkoper nog een vordering van € 250,- op de koper vanwege de installatie van de machine. Verrekening van beide vorderingen heeft tot gevolg dat de verkoper verplicht is de koper slechts € 750,- te restitueren aan de koper.
Uit dit voorbeeld blijkt dat de verkoper door uitoefening van het eigendomsvoorbehoud nooit voldoening van de koopprijs kan bewerkstelligen: uitoefening leidt tot tenietgaan van de koopprijsvordering. Duidelijk wordt bovendien dat de meerwaarde van het verbreed eigendomsvoorbehoud gelegen is in het feit dat de door de koper reeds betaalde koopprijs zekerheid biedt voor de verkoper, doordat hij hiermee een verrekeningsmogelijkheid creëert op het moment dat de koper de overige vorderingen niet voldoet en de verkoper overgaat tot uitoefening van het verbreed eigendomsvoorbehoud. Het is aldus de betaalde koopprijs die bij het verbreed eigendomsvoorbehoud zekerheid biedt voor de voldoening van de overige vorderingen en niet de verkochte zaak zelf.
Men kan de verbreding van het eigendomsvoorbehoud om verschillende redenen problematisch achten, maar niet vanwege het feit dat de verkoper door de verbreding een vorm van zekerheidseigendom verkrijgt. Het verbreed eigendomsvoorbehoud heeft namelijk geen andere functie dan het eenvoudig eigendomsvoorbehoud. Kritiek zou men kunnen hebben vanwege het feit dat de verbreding een niet goed te rechtvaardigen uitbreiding vormt van de wederkerigheidsband, doordat de verkoper zijn verplichting tot eigendomsverschaffing ook opschort voor andere vorderingen. Daarmee verschaft de verkoper zich een positie die voor andere schuldeisers, die niet in de gelegenheid zijn om een eigendomsvoorbehoud te bedingen, is uitgesloten.10 Een schuldeiser die een machine installeert, zonder tegelijkertijd ook de desbetreffende machine te verkopen, is niet in staat zich de hierboven beschreven verrekeningsmogelijkheid te creëren. Daarbij dient evenwel bedacht te worden dat vergelijkbaars geldt voor degene die in de positie is om een voorbehouden pandrecht te bedingen. De daaruit voortvloeiende voorrang berust ook op een toevalligheid.11 Zoals in hoofdstuk 3 aan de orde komt, valt de mogelijkheid van verbreding van het eigendomsvoorbehoud uitsluitend te rechtvaardigen vanwege de moeilijkheden die bij gebreke van een dergelijke mogelijkheid zouden kunnen ontstaan bij de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud.
Van belang is dat deze kritiek uitsluitend de rechtvaardiging voor het verbreed eigendomsvoorbehoud ten opzichte van de overige schuldeisers van de koper betreft. Zij komt in het volgende hoofdstuk aan de orde. Deze kritiek geldt echter niet voor de functie van het verbreed eigendomsvoorbehoud. Het verbreed eigendomsvoorbehoud heeft namelijk geen andere functie dan het eenvoudig eigendomsvoorbehoud: zij handhaaft de wederkerigheid van de tegenover elkaar staande verplichtingen, waarbij dan bedacht moet worden dat de wetgever partijen de ruimte laat om deze wederkerigheidsband breed vorm te geven. Door het overeenkomen van het verbreed eigendomsvoorbehoud geven partijen te kennen dat zij bepaalde verplichtingen, die gewoonlijk niet als wederkerig hebben te gelden, desalniettemin als tegenover elkaar staande prestaties beschouwen. Deze bevoegdheid hebben partijen op grond van de partijautonomie, terwijl uit artikel 3:92 lid 2 BW vervolgens kan worden afgeleid dat de wetgever een dergelijke partijafspraak op goederenrechtelijk niveau ook sanctioneert.