De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.4.2:5.8.4.2 Negatieve lijst
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.4.2
5.8.4.2 Negatieve lijst
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949507:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 6, eerste lid, van de Wet AROB.
Kamerstukken II 1973/74, 11 279, nr. 8, p. 20-21.
Stb. 1988, 473.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Net als in de Wet BAB werd in de Wet AROB geregeld dat geen voorziening als bedoeld in de Wet AROB openstaat tegen beschikkingen gegeven krachtens een wet genoemd op de negatieve lijst.1 Bij het opnieuw vaststellen van de lijst heeft de wetgever aangegeven terughoudendheid en soberheid te betrachten. Uit het nader advies van de Commissie Wiarda blijkt dat de minister van Onderwijs en Wetenschappen van mening was dat de onderwijswetten uitgezonderd zouden moeten worden van de Wet AROB.2 In de onderwijswetten was al geregeld in welke gevallen er beroep in gesteld kon worden. Binnen de onderwijswetten werd voor zowel het openbaar als het bijzonder onderwijs qua rechtsbescherming eenzelfde lijn aangehouden.3 De Wet AROB strekte zich echter in beginsel niet uit over bijzondere onderwijsinstellingen. Dit zou tot gevolg hebben dat er wel voor leerlingen, studenten en ouders in het openbaar onderwijs een beroepsmogelijkheid zou ontstaan, maar niet voor het bijzonder onderwijs. Het werd daarom wenselijk geacht om de onderwijswetten zodanig aan te passen dat in het openbaar en bijzonder onderwijs dezelfde rechtsbescherming zou openstaan. Tot die tijd werden de onderwijswetten enumeratief opgenomen op de negatieve lijst van de Wet AROB.
Op grond van de Wet AROB zou de negatieve lijst vijf jaar na inwerkingtreding van de Wet AROB komen te vervallen, tenzij voor die tijd een wetsvoorstel ter wijziging van de negatieve lijst aanhangig wordt gemaakt in de Tweede Kamer.4 Deze vijf jaartermijn lijkt een stok achter de deur te zijn geweest om op redelijk korte termijn de onderwijswetgeving aan te passen conform de Wet AROB. Maar de termijn van vijf jaar bleek te ambitieus. In 1988, 14 jaar na inwerkingtreding van de Wet AROB, kwam er een volledige herziening van de negatieve lijst tot stand.5 Op deze lijst stonden nog slechts vijf onderwijswetten, waarvan de belangrijkste waren de Lager-onderwijswet en de Wet op het voortgezet onderwijs. Ten aanzien van deze wetten werd door de minister van Onderwijs en Wetenschappen gewerkt aan wetswijzigingen om de nog bestaande leemten in de rechtsbescherming op te vullen, zodat ook deze wetten van de negatieve lijst geschrapt konden worden.6 Door wijziging van de negatieve lijst werd bijvoorbeeld de Wet op het wetenschappelijk onderwijs niet langer uitgezonderd van de Wet AROB. De Wet op het wetenschappelijk onderwijs was reeds aangepast.