Douanewaarde in een globaliserende wereld
Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/11.4.3.2.3:11.4.3.2.3 De toelevering wordt slechts deels ‘verwerkt’
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/11.4.3.2.3
11.4.3.2.3 De toelevering wordt slechts deels ‘verwerkt’
Documentgegevens:
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258472:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hoge Raad 4 maart 2016, nr. 14/02809, ECLI:NL:HR:2016:348.
Hoge Raad 4 maart 2016, nr. 14/02809, ECLI:NL:HR:2016:348, r.o. 2.1.3.
Hoge Raad 4 maart 2016, nr. 14/02809, ECLI:NL:HR:2016:348, r.o. 2.4.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De koper kan materialen, delen of onderdelen gratis of tegen verminderde prijs leveren aan de verkoper waarna slechts een deel van de voorwerpen wordt verwerkt in de goederen die de koper uiteindelijk betrekt van de verkoper. De vraag is of de waarde van het deel van de geleverde materialen dat niet in de vervaardigde goederen wordt verwerkt, ook in aanmerking moet worden genomen voor de vaststelling van de douanewaarde. De Hoge Raad heeft zich hierover uitgelaten in een uitspraak over rollen stof die een koper gratis aan de verkoper leverde voor de vervaardiging van kledingstukken en waarvan een deel niet werd gebruikt. Voor de vraag of de waarde van de niet gebruikte rollen stof als zijnde toelevering in de zin van (thans) artikel 71, lid 1, onderdeel b, ten eerste, DWU in de heffing moeten worden betrokken, heeft de Hoge Raad een objectieve toets ontwikkeld, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen ‘left fabrics’ en ‘knip- en snijverliezen’.1Left fabrics (of left-overs) zijn delen van rollen stof die aan een fabrikant zijn geleverd, maar waaruit geen kledingstukken zijn vervaardigd en waarvan het ontstaan het gevolg is van de omstandigheid dat de leveranciers van stoffen een bepaalde minimale hoeveelheid leveren, waardoor (veel) meer stof wordt ingekocht dan voor de vervaardiging van de kleding noodzakelijk is.2 De left fabrics vertegenwoordigen, afgaand op de overwegingen van de Hoge Raad, anders dan knip- en snijverliezen of anderszins als verwaarloosbare of waardeloze restanten van de vervaardiging van de kleding, een zekere economische waarde. Daarom is het toerekenen van de waarde, als zijnde toelevering in de zin van artikel 71, lid 1, onderdeel b, ten eerste, DWU, van deze delen niet passend.3 Het feit dat de rollen stof via een inkoopagent ter beschikking werden gesteld aan de fabrikant doet daarbij niet ter zake.
De Hoge Raad overweegt dus dat knip- en snijverliezen onderdeel behoren uit te maken van de waarde van de toelevering. Sherman & Glashoff stellen dat, mijns inziens terecht, knip- en snijverliezen of anderszins als verwaarloosbare of waardeloze restanten van de vervaardiging van, bijvoorbeeld, kleding, desalniettemin buiten de douanewaarde kan blijven indien zij aan de koper worden geretourneerd of gecrediteerd.4 In het geval van retournering kan namelijk worden betoogd dat de delen niet zijn verwerkt in de door de verkoper geleverde goederen en bij creditering wordt namelijk verondersteld dat de prijs van deze delen in de werkelijk betaalde of te betalen prijs is opgenomen. De knip- en snijverliezen maken dan met andere woorden geen onderdeel meer uit van de economische waarde van de ingevoerde kleding.