Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/6.2.1
6.2.1 Specifieke verbod op bekendmaking van fiscale gegevens
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS380143:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1959, 301 met wijziging in Stb. 2007, 376.
De staatssecretaris van Financiën geeft aan dat er geen misverstand dient te bestaan over de brede werking van van de geheimhoudingplicht: ‘de geheimhoudingsplicht (art. 67 lid 1 AWR) geldt namelijk niet alleen voor belastingambtenaren maar voor een ieder die betrokken raakt bij de uitvoering van de belastingwet.’ Kamerstukken II 1990/91, 21 287, nr. 5, p. 21 en 22.
J. de Zeeuw, Informatieverstrekking door de fiscus. Ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht in het licht van privacywetgeving, Registratiekamer, december 1999, p. 12.
Ter illustratie art. 47 lid 1 Wet op de Vermogensbelasting 1892, Stb. 1892, 223 (Wet VB 1892) ‘Het is aan ieder verboden om hetgeen hem uit hoofde van zijn (…) ambt, nopens den aanslag van een ingezetene in deze belasting of diens vermogen gebleken of medegedeeld is, verder bekend te maken dan voor de uitoefening van zijn ambt gevorderd wordt.’ Zie ook soortgelijke bepalingen van latere datum in art. 102 en art. 108 Wet IB 1914, art. 52 Wet VB 1892, art. 44 Wet PB, art. 28 Besluit WB 1940, art. 30a Besluit LB 1940, art. 14 Besluit Div. bel. 1941, art. 79 SW 1956 en art. 9 Wet VFN.
Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 3, p. 23; zie ook Hof Leeuwarden 1 juli 1996, LJN:AB7712, NJ 1998/214.
Kamerstukken II 1990/91, 21 221, nr. 5, punt 2.47; zie ook HR 11 februari 2003, LJN: AF2343. De Zeeuw merkt hierover op dat deze bepalingen niet de kern vormen van het wettelijke verstrekkingssysteem, maar eerder het sluitstuk daarvan. Een mening die ik deel. Zie J. de Zeeuw, Informatieverstrekking door de fiscus. Ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht in het licht van privacywetgeving, Registratiekamer, december 1999, p. 11.
De eerste geheimhoudingsbepalingen zijn te vinden in art. LVIII lid 1 Wet van 22 Frimaire, an VII, zie par. 2.4.3.1; zie ook J.J.I. Verburg, Het verschoningsrecht van getuigen in strafzaken, H. D. Tjeenk Willink: Groningen, 1975. Vgl. D. Hazewinkel- Suringa, De doolhof van het beroepsgeheim, H. D. Tjeenk Willink & Zoon’s Uitgevers Mij. NV, Haarlem, 1959.
ABRvS 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:253. Handelt de Belastingdienst in strijd met de geheimhoudingsplicht, dan kan sprake zijn van een onrechtmatige daad, Rb. Den Haag 26 april 2018, nr. 17/6621, NTFR 2018/1480. In een brief aan de Tweede Kamer laat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties weten dat zij, tezamen met de minister van Financiën, zich niet kunnen vinden in de strekken van de rechtbank Den Haag; zij geeft aan dat de minister van Financiën tegen de uitspraak van bestuursrechter van rechtbank Den Haag van 26 april 2018 in hoger beroep is gegaan. Brief Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 20 augustus 2018, 2018-0000338587; zie ook Brief Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 20 augustus 2018, 2018-0000370380. Nadien is voor latere jaren de grondslag van art. 252a, derde lid, boek 7 BW redactioneel gewijzigd en verplicht de inspecteur – wettelijk – tot het verstrekken van gegevens aan de verhuurder, zie Kamerstukken II 2015/16, 34 374, nr. 3. Zie ook Kamerstukken I 2015/ 16, 34 374, nr. C; RvS 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3215.
Ook in parlementaire debatten blijkt keer op keer de strikte geheimhoudingsplicht van de Belastingdienst, met het refrein: ‘De geheimhoudingsplicht van artikel 67 Algemene wet in zake rijksbelastingen (hierna: AWR) staat eraan in de weg informatie over individuele belastingplichtigen openbaar te maken.’. Zie bijvoorbeeld beantwoording Kamervragen Aanhangsel van de Handelingen II 1998/1999, 1957; zie ook van recentere datum Aanhangsel van de Handelingen II 2016/17, 2170 p. 3; zie ook Aanhangsel van de Handelingen II 2016/17, 2026, p. 3 en Aanhangsel van de Handelingen II 2016/17, 1962 p. 3.
Brief van de staatssecretaris van Financiën, 20 maart 2001, nr. BOB 2000/01536, Kamerstukken II 2000/01, 27 400 IXB, nr. 27, p. 1, V-N 2001/18.9; zie ook Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, p. 12.
HR 8 november 1991, LJN:ZC0409, NJ 1992/277; zie ook HR 11 februari 2003, LJN: AF2343.
R. Steenman, Fiscus wat weet u van mij?, WFR 2012/6942, p. 265.
J. de Zeeuw, Informatieverstrekking door de fiscus. Ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht in het licht van privacywetgeving, Registratiekamer, december 1999, p. 11; zie ook J.J.I. Verburg, Het verschoningsrecht van getuigen in strafzaken, 1975.
HR 14 mei 1964, NJ 1964/430; zie ook HR 28 november 1991, LJN:ZC0409, NJ 1992/277. Later oordeelt de Hoge Raad omtrent het verstrekken van gegevens aan belastingplichtige zelf ‘De zeer ruime uitlegging van de term ‘anderen’ in art. 67 lid 1 AWR (…), is taalkundig wel het meest voor de hand liggend, maar het is daarom nog niet nodig te aanvaarden dat de geheimhoudingsplicht de belastingambtenaar verbiedt de gegevens mede te delen aan degene van wie hij ze verkregen heeft.’ En verder ‘Taalkundig is een zo ver strekkende geheimhoudingsplicht ook niet in overeenstemming met art. 67 lid 1 AWR, aangezien belastingambtenaren gegevens niet ‘verder bekend (…) maken’, indien zij ze mededelen aan degene die de gegevens al kent of gekend heeft.’ HR 8 november 1991, LJN:ZC0409, NJ 1992/277 r.o. 6.5 resp. 6.6.
Nationale ombudsman 25 februari 1994, nr. 1994/093, LJN:AW3138 (V-N 1994/ 1484, 26). ‘Het enkele feit dat informatie door de ambtenaar als niet-vertrouwelijk wordt aangemerkt, ontslaat dit de ambtenaar niet van zijn geheimhoudingsplicht.’ In casu: geen (vage) mededelingen over een betwiste belastingaanslag aan de secretaresse van de directeur van belastingplichtige.
Nationale ombudsman 21 juni 2010, nr. 2010/162, NTFR 2010/769 ‘mededeling hoogte aanslag aan echtgenoot is schending van geheimhoudingsplicht’; zie ook ABRvS van 14 april 2010, LJN: BM1041, zaaknr. 200906092/1/HR.
Nationale ombudsman, 5 juni 2012, nr. 2012/093.
Art. 1sub a Wbp; zie ook het begrip in de Privacy Richtlijn 95/46/EG ‘alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon’ met aansluiting op de omschrijving van personal data’ in het Dataprotectieverdrag ETS No.108. ‘Gegevens die betrekking hebben op overledenen of rechtspersonen, zijn geen persoonsgegevens’, Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 47.
Dat zijn gegevens ‘die naar hun aard niet op personen betrekking hebben noch – gezien de context waarin ze worden verwerkt – mede bepalend zijn voor de wijze waarop een persoon in het maatschappelijk verkeer wordt beoordeeld of behandeld, zijn geen persoonsgegevens. Gegevens die uitsluitend voorwerpen aanduiden, bijv. gestolen goederen of identiteitsbewijzen (…) Indien deze geen informatie bevatten met behulp waarvan personen in hun maatschappelijke positie kunnen worden geraakt.’ Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 47. Aan deze voorbeelden is toe te voegen receptuur, royalty’s, rulings, marktformules, concurrentiepositie, organisatiestruur, financieringsstructuur et cetera.
De Belastingdienst geeft in het kader van het derdenonderzoek expliciet aan: ‘Geheimhoudingsplicht geldt ook voor u. Als wij u informatie geven over een andere belastingplichtige, bent u verplicht om die informatie geheim te houden. U bent strafbaar als u zich niet aan de geheimhoudingsplicht houdt. En als wij gegevens over u aan een ander bekendmaken, dan heeft die ander ook geheimhoudingsplicht.’ Brochure ‘Het derdenonderzoek toegelicht’, www.belastingdienst.nl, geraadpleegd: 1 november 2017.
S.C.W. Douma, R.J. Koopman, E.A.G. van der Ouderaa en J. Wortel, Algemene wet inzake rijksbelastingen, 2017, p. 100; zie ook Den Boer, Koopman en Wattel, Fiscaal Commentaar, Algemeen belastingrecht, 1999, p. 557 e.v. en Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 83, p. 4; zie ook E.J.M. Rosier en H.H. Sligchers, ‘Aanpassing van het verschoningsrecht? Niet nodig’, TFB 2017/5, p. 9-13.
Kamerstukken II 2011/12, 33 0003, nr. 83; zie ook Kamerstukken II 2001/02, 28 362, nr. 2 en meest recentelijk Kamerbrief van staatssecretaris van Financiën over een verzoek m.b.t. artikel 67 AWR, 26 juni 2018, kenmerk 2018-0000110839.
M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht (Fiscale Handboeken nr. 9), 2007.
Hof Arnhem-Leeuwarden, 9 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9540, V-N 2015/13.6 en Hof Arnhem-Leeuwarden, 11 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:3036, V- N 2017/30.1.4.
De plicht tot fiscale geheimhouding is in art. 67 lid 1 AWR strikt geformuleerd.1 ‘Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990 (geheimhoudingsplicht).’2 De fiscale geheimhoudingsplicht geldt als een van de meest stringente geheimhoudingsbepalingen in de Nederlandse wetgeving.3 Dit verbod – dat aanvankelijk separaat was opgenomen in de specifieke middelwetten (zoals de Wet op de Vermogensbelasting en de latere Wet Inkomstenbelasting) – geldt voor een ieder die in het kader van uitvoering van de belastingwet over gegevens beschikt.4 De gegevens en inlichtingen die de Belastingdienst ontvangt, mogen dan ook alleen gebruikt worden voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering, de zogeheten doelbinding (zie par. 2.4.3.1). Het schenden van de geheimhoudingsplicht is strafrechtelijk gesanctioneerd (art. 272 Sr)5 en voor ambtenaren tevens disciplinair (art. 59 ARAR).6
Hoewel de geheimhoudingsplicht dateert uit de Napoleontische tijd heeft zij haar belang in de loop der eeuwen niet verloren.7 Dit is op zich niet vreemd, gelet op de ruime wettelijke bevoegdheden die de Belastingdienst heeft voor het verzamelen van privacygevoelige informatie. Belastingplichtigen zijn gehouden die fiscaal relevante gegevens te verstrekken. Als hoofdregel geldt dan ook – nog steeds en overkort – dat de Belastingdienst de gegevens die hij bij zijn taakuitoefening verkrijgt, niet aan derden mag verstrekken, aldus de Raad van State Afdeling bestuursrechtspraak.8 De Raad bevestigt hiermee tevens hetgeen ook de staatssecretaris keer op keer aangeeft: een algemene verhindering tot het openbaar maken van gegevens over (individuele) belastingplichtigen.9
En daarmee wil de staatssecretaris zich niet achter een wettekst verschuilen. Hij oordeelt namelijk de betekenis van de geheimhoudingsplicht bijzonder groot.10 De bewindsman doelt daarbij met name op het respecteren van de belangen van de burgers en bedrijven: zij stellen immers vertrouwelijke gegevens beschikbaar voor de belastingheffing. ‘Zij hoeven’, zo ook de Hoge Raad, ‘niet van het verstrekken van gegevens aan de Belastingdienst te worden weerhouden door de vrees dat die gegevens voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de aan de Belastingdienst opgedragen taak.’11 De strikte geheimhoudingsplicht komt de medewerkingsbereidheid ten goede en daarmee de uitvoering van de belastingwetten ten goede.12 De betrouwbaarheid van de aangifte is zelfs in hoge mate afhankelijk van de doelbinding.13
De striktheid van het verbod komt ook duidelijk naar voren in het oordeel van de Hoge Raad dat de geheimhoudingsverplichting tegenover een ieder geldt (par. 5.7.3.5). In beginsel zelfs tegenover de belastingplichtige.14 De geheimhoudingplicht geldt ook tegenover andere direct betrokkenen, zoals het personeel van belastingplichtige15 en de echtgenote.16 Het strekt zich ook uit tot geanonimiseerde gegevens en bedrijfs- of productgegevens.17 En dus verder dan alleen persoonsgegevens.18 Ook anonieme objectgegevens behoren ertoe.19
Volgens de Belastingdienst geldt de geheimhoudingsplicht ook voor een ieder die een rol vervult in het kader van de belastingheffing.20 Een standpunt dat in de literatuur wordt onderschreven.21 Genoemd worden onder andere belastingadviseurs, advocaten, accountants en zelfs het parlement.22 Volgens Feteris geldt de geheimhoudingsplicht overigens niet tegenover de belastingplichtige zelf,23 voor zover het gaat om de uitvoering van de belastingwet: het opleggen van een belastingaanslag, het behandelen van bezwaar en/of beroep.24
Het uitvoeringstoezicht maakt daar onderdeel vanuit. Als een derde dan gegevens verkrijgt van de Belastingdienst geldt de geheimhoudingplicht: immers ‘hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld,’ geldt het verbod ‘verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990 (geheimhoudingsplicht)’ (art. 67 eerste lid AWR). Dit geldt overigens niet ingeval de Belastingdienst gegevens deelt met andere overheidsinstanties in het kader van hun toezicht: dan geldt de algemene geheimhoudingsplicht. Zij mogen die gegevens zelfs doorverstrekken in het kader van hun taakuitoefening (art. 2:5 Awb). En daarmee is de ‘ketting van het gebruik in het kader van de uitvoering van de belastingwet’ definitief doorbroken. Van fiscale doelbinding is geen sprake meer. En daarmee wordt de keten van vertrouwelijkheid bepaald door de spreekwoordelijk zwakste schakel. En die kan bijvoorbeeld zijn gelegen in een minder strikte wettelijke geheimhoudingsplicht maar ook in verminderde organisatorische gegevensbescherming. Met andere woorden, naarmate meer overheidsinstanties, en tevens meer personen, over vertrouwelijke gegevens beschikken, neemt de kans toe dat één van deze personen bewust of onbewust het met de vertrouwelijkheid van deze informatie niet zo nauw neemt.
Kortom: de geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR geldt voor al hetgeen een ieder bij de uitvoering van de belastingwet over een persoon of zaken blijkt of wordt medegedeeld. Een brede reikwijdte. Maar de geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR geldt niet voor andere toezichthouders met wie gegevens wordt gedeeld: dan geldt de algemene geheimhoudingsplicht ex art. 2:5 Awb.