De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip
Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/8.4:8.4 De kwalificatie van de arbeidsrelatie in de rechtspraak
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/8.4
8.4 De kwalificatie van de arbeidsrelatie in de rechtspraak
Documentgegevens:
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583420:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De uitleg en toepassing van het (niet altijd even heldere) wettelijk kader is door de wetgever voor een groot deel overgelaten aan de rechtspraak. In 1997 heeft de Hoge Raad in het arrest Groen/Schoevers een kwalificatieformule geïntroduceerd, die lange tijd leidend was bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst. In dit arrest is bepaald dat bij die beoordeling niet alleen van belang is wat partijen bij aanvang van de rechtsverhouding voor ogen hebben gehad, maar ook op welke wijze zij vervolgens uitvoering en feitelijk invulling aan hun rechtsverhouding hebben gegeven. Daarbij moet acht worden geslagen op alle relevante feiten en omstandigheden van het geval, in hun onderling verband bezien, zonder dat daarbij één enkele omstandigheid doorslaggevend kan zijn. Voorts speelde in Groen/Schoevers ook de maatschappelijke positie van partijen een rol. Hoewel de hiervoor beschreven kwalificatieformule niet hoog scoort op ‘voorspelbaarheid’, bood deze aanpak wel ruimte voor maatwerk. Wanneer alle relevante feiten en omstandigheden in onderling verband moeten worden beoordeeld, ontstaat er ruimte om daadwerkelijk te onderzoeken of de verhoudingen dusdanig uit balans zijn dat ongelijkheidscompensatie op zijn plaats is.
Voor het duiden van de wijze waarop het beginsel ongelijkheidscompensatie tot uiting komt bij de kwalificatie van arbeidsrelaties, biedt de rechtspraak van de Hoge Raad slechts één concreet aanknopingspunt: de maatschappelijke positie van partijen. Op de vraag hoe die maatschappelijke positie moet worden ingevuld geeft de Hoge Raad echter geen antwoord. In de lagere rechtspraak is zichtbaar dat de (on)gelijkheid tussen partijen op verschillende manieren wordt geconcretiseerd. In het in hoofdstuk 6 verrichte rechtspraakonderzoek is onderzocht in hoeverre in de feitenrechtspraak acht werd geslagen op de economische (on)afhankelijkheid van de werkende, de macht van de werkverschaffer, kenmerken van de arbeid(er), kenmerken van ondernemerschap (of het gebrek daaraan) en de (on)gelijkwaardigheid in onderhandelingspositie. Twee elementen kwamen beduidend vaker terug dan de andere elementen: de economische macht van de werkverschaffer en de mate waarin de werkende tekenen van ondernemerschap vertoonde. Die uitkomst sluit aan bij de overige bevindingen uit dit onderzoek. Zoals gezegd beoogt artikel 7:610 BW de economische ongelijkheid tussen partijen te compenseren, die in toenemende mate wordt afgeleid uit de economische macht van de werkgever die tot uitdrukking komt in de juridische en organisatorische ondergeschiktheid van de werkende. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de artikelen 7:400 BW en 7:750 BW volgt voorts dat deze artikelen voor de regulering van de arbeidsverhoudingen van zelfstandigen zijn bedoeld, zodat het voor de hand ligt dat rechters bij de beantwoording van de kwalificatievraag (ook) onderzoeken of de werkende kenmerken van ondernemerschap vertoont. De economische (on)afhankelijkheid van de werkende speelde juist in relatief weinig uitspraken een rol. Ook die bevinding sluit aan bij de eerder gesignaleerde ‘institutionaliseringstrend’. Zoals gezegd is de economische afhankelijkheid van de werkende – die bij de totstandkoming van de Wet op de Arbeidsovereenkomst nog sterk op de voorgrond stond – nadien steeds verder naar de achtergrond verdwenen. In die zin is het haast opvallend te noemen dat dit aspect ook weer niet verwaarloosbaar weinig werd aangehaald.