De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip
Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/8.2:8.2 De beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/8.2
8.2 De beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie
Documentgegevens:
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583375:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om tot een beantwoording van de hoofdvraag te kunnen komen is eerst uiteengezet hoe de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie in de literatuur worden uitgelegd. Helder is dat uit het beginsel partijautonomie voortvloeit dat private partijen in beginsel vrij zijn met elkaar te contracteren en de inhoud van dat contract te bepalen. Eveneens staat buiten kijf dat deze vrijheid niet onbegrensd is. Deze vrijheid kan onder meer worden beperkt door de toepassing van het beginsel ongelijkheidscompensatie, een van de ‘grondbeginselen’ van het arbeidsrecht. Het arbeidsrecht beoogt de werknemer als zwakkere partij in de arbeidsrelatie te beschermen, door hem te compenseren voor zijn ongelijkheid ten opzichte van de werkgever als sterkere contractspartij. De hier beschreven ongelijkheidscompensatie doet zich reeds voor aan ‘de poort’ van het arbeidsrecht: artikel 7:610 BW bepaalt dwingendrechtelijk welke werkenden onder het bereik van artikel 7:610 BW vallen. Vervolgens is het de vraag wanneer met een beroep op het beginsel ongelijkheidscompensatie een inbreuk op de partijautonomie gerechtvaardigd is. Met andere woorden: wanneer is sprake van een dusdanige ongelijkheid tussen partijen, dat via artikel 7:610 BW tot ongelijkheidscompensatie dient te worden gekomen?