De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip
Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/8.8:8.8 Tot slot
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/8.8
8.8 Tot slot
Documentgegevens:
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583478:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De regulering van arbeid is zoals gezegd geen rustig bezit. Ook anno 2021 is het debat rondom de kwalificatievraag volop gaande, zowel in de wetenschap als politiek. Op het moment van afronden van dit onderzoek is nog niet bekend hoe het nieuwe – nog te vormen – kabinet invulling zal geven aan het beleid rondom de kwalificatievraag, en of (en in hoeverre) de hiervoor aangehaalde voorstellen hierin een plek zullen krijgen. In elk geval lijkt het mij van belang dat in het toekomstige debat inzake de kwalificatievraag (uitdrukkelijker) wordt stilgestaan bij de ongelijkheden die men beoogt te compenseren. Zoals gezegd, vergt dit in mijn optiek dat er eerst een fundamenteler debat wordt gevoerd over de verschillende (al dan niet) te compenseren ongelijkheden, en hoe die ongelijkheden tot uiting dienen te komen in het wettelijk kader inzake de kwalificatie van arbeidsrelaties.
Voorlopig lijkt het erop dat de praktijk nog even verder moet met het bestaande toetsingskader, dat in 2020 een update heeft gekregen in het arrest X/Gemeente Amsterdam. Daar lijkt de (rechts)praktijk overigens ook nog wel even zoet mee. Uit de eerste kwalificatie-uitspraken van na X/Gemeente Amsterdam bleek dat rechters (nog) niet goed uit de voeten kunnen met het in dat arrest gepresenteerde toetsingskader. Hoewel het meewegen van de partijbedoeling veelal achterwege bleef, was dit niet in alle onderzochte uitspraken het geval. Dit had overigens niets te maken met een verkeerde interpretatie, maar met een gebrek aan bekendheid met het arrest X/Gemeente Amsterdam: in 8 (!) van de 26 geanalyseerde uitspraken werd geen blijk gegeven van enige bekendheid met dit arrest. Rechters die wel op de hoogte waren van het arrest, bleken te worstelen met de daarin gepresenteerde tweefasentoets. Zo is in de meeste uitspraken niet inzichtelijk hoe rechters het onderscheid tussen de uitleg- en kwalificatiefase aanbrengen, en evenmin hoe zij binnen die toets toepassing geven aan de Haviltex-maatstaf. Op basis van deze bevindingen kan dan ook geen steun worden gevonden voor de gedachte dat het arrest X/Gemeente Amsterdam op dit moment veel (positiefs) teweegbrengt in het kader van het kwalificatiedebat, te meer niet nu een consistente toepassing van het arrest in de lagere rechtspraak vooralsnog uitblijft.
Ik sluit het onderzoek af met een positieve noot. Dat de verhouding tussen de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie zich lastig laat duiden brengt weliswaar uitdagingen voor beleidsmakers en wetgevingsjuristen mee, maar is niet enkel negatief. De onbepaaldheid van de verhouding tussen de voormelde beginselen maakt het arbeidsrechtelijke toetsingskader namelijk ook wendbaar en – zo is gebleken – houdbaar. Wel is het zaak dat die wendbaarheid bewust wordt benut. Dit vergt zoals gezegd dat er op fundamenteel niveau wordt nagedacht over de grondslagen van het arbeidsrecht en de ongelijkheden die het arbeidsrecht beoogt te compenseren. De arbeidsovereenkomst blijft daarmee weliswaar een bewerkelijk begrip, maar – als bewuste keuze – niet bewerkelijker dan nodig is.