Einde inhoudsopgave
Bijzonder ontslagprocesrecht (MSR nr. 67) 2015/4.4.1
4.4.1 Toestemming ‘voor zover vereist’
Mr. D.M.A. Bij de Vaate, datum 30-12-2014
- Datum
30-12-2014
- Auteur
Mr. D.M.A. Bij de Vaate
- JCDI
JCDI:ADS354704:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Beleidsregels Ontslagtaak UWV 2012 – versie september 2012, RSV 2012, 16614, hoofdstuk 1, p. 4. Het vragen van een ontslagvergunning 'voor zover vereist' is mogelijk sinds een richtlijn van de Directeur-Generaal voor de Arbeidsvoorziening uit 1985. In die richtlijn stond dat de directeur GAB zich niet meer onbevoegd kon verklaren in geval van een aanvraag voor een ontslagvergunning na een ontslag op staande voet (Richtlijn van 22 januari 1985 (Jura/B nr. 134390)). Zie meer uitgebreid over de geschiedenis van de ontslagvergunning 'voor zover vereist': Kuip 1993, p. 135-143. Vgl. Duk 1972, p. 241.
Vgl. Kuip & Verhulp 2006, p. 261.
Beleidsregels Ontslagtaak UWV 2012 – versie september 2012, RSV 2012, 16614, hoofdstuk 1, p. 4-5.
Beleidsregels Ontslagtaak UWV 2012 – versie september 2012, RSV 2012, 16614, hoofdstuk 1, p. 4-5.
Vgl. Bouwens, Houwerzijl & Roozendaal 2013, p. 185.
HR 26 januari 1968, NJ 1968, 139; HR 16 februari 1973, NJ 1973, 163; HR 23 januari 1981, NJ 1981, 284. Vgl. Bouwens & Duk 2011, p. 343-344.
Indien de werkgever twijfelt of hij zonder toestemming van het UWV in staat is geweest de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig te beëindigen, kan hij een ontslagvergunning 'voor zover vereist' aanvragen bij het UWV.1 'Voor zover vereist' wil zeggen, voor het geval de arbeidsovereenkomst toch niet is geëindigd, omdat toestemming van het UWV nodig was. De 'voor zover vereist'-procedure bij het UWV doet zich met name voor na een ontslag op staande voet, als de werkgever twijfelt of de rechter de gedraging van de werknemer wel als een dringende reden zal kwalificeren. Indien dit niet het geval is en de werknemer heeft een beroep op vernietiging van de opzegging gedaan vanwege het ontbreken van de vereiste toestemming van het UWV, loopt de arbeidsovereenkomst door. Dit kan de werkgever op een hoogoplopende loonvordering komen te staan. Door het vragen van toestemming 'voor zover vereist' kan de werkgever dit risico beperken.2
Het UWV beoordeelt in het kader van een toestemming 'voor zover vereist' niet of de arbeidsovereenkomst reeds is geëindigd. Het UWV mag niet op de stoel van de rechter gaan zitten en beoordelen of sprake is van een geldige proeftijd of een geldig ontslag op staande voet.3 Het UWV beoordeelt alleen aan de hand van de criteria in het Ontslagbesluit of de door de werkgever aangevoerde redenen van dien aard zijn dat de ontslagvergunning voorwaardelijk ('voor zover vereist') verleend moet worden.4 In het kader van een ontslag op staande voet is goed denkbaar dat een vergunning verleend zal worden. Een door de werkgever als dringende reden aangemerkte gedraging van de werknemer zal vaak een voldoende grond zijn voor het afgeven van een ontslagvergunning.5
Wanneer de werkgever de vergunning 'voor zover vereist' verkrijgt, dient hij in beginsel wel alsnog de arbeidsovereenkomst (regelmatig) op te zeggen. Het gevolg hiervan is, dat mocht later vast komen te staan dat de arbeidsovereenkomst door de eerste opzegging niet is geëindigd, de arbeidsovereenkomst dan toch in ieder geval is geëindigd als gevolg van de tweede opzegging met gebruik van de ontslagvergunning 'voor zover vereist'. Een loonvordering kan dan slechts tot aan de dag van de tweede opzegging toegewezen worden. Verzuimt de werkgever de arbeidsovereenkomst opnieuw op te zeggen na de verkregen ontslagvergunning 'voor zover vereist', dan kan evenwel onder bepaalde voorwaarden conversie plaatsvinden van de nietige opzegging in een geldige opzegging tegen de vroegst mogelijke datum waartegen dat mogelijk zou zijn geweest. Vereist is dan dat ten tijde van de ongeldige opzegging een geldige opzegging tegen een latere datum mogelijk zou zijn geweest en dat aannemelijk is dat hiervan gebruik zou zijn gemaakt indien men van de opzegging welke in werkelijkheid heeft plaatsgevonden wegens haar ongeldigheid had afgezien.6