Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/5.3.4
5.3.4 Boedelschuldeisers
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708343:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bijvoorbeeld Rechtbank Alkmaar 23 oktober 2009, JOR 2010/281, r.o. 3.5 en Rechtbank Groningen 12 december 2000, JOR 2001/100.
Zie, naast de in de volgende voetnoot genoemde bronnen, o.a. Wessels Insolventierecht IV 2020/4230 (inclusief verwijzingen naar rechspraak); Van Faassen & Van Tilburg 2020, par. 5.1; Luttikhuis 2007, p. 105 en Völlmar 1939, p. 167.
Van de Wiel, FIP 2022/75; Neijt 2019, p. 77-81.
Van Faassen & Van Tilburg 2020, par. 5.1; F.M.J. Verstijlen, annotatie onder HR 5 september 2003, JOR 2003/289, par. 7 en (voorzichtiger) W.C.L. van der Grinten, annotatie onder HR 15 juli 1985, NJ 1986/193 (Stuyt q.q./Ontvanger), par. 4.
HR 31 oktober 2014, NJ 2014/484 (CZ Zorgkantoor/Scholtes q.q.), r.o. 3.4.2.
Rechtbank Rotterdam 11 mei 2016, JOR 2016/253, r.o. 4.2.
HR 24 december 2021, NJ 2022/49 (PaperlinX), r.o. 3.2.5. Het hof heeft – in navolging van de rechtbank – de vordering om deze reden afgewezen in Gerechtshof Den Haag 11 februari 2020, JOR 2020/180, r.o. 4.2. Het is naar mijn mening, mede gelet op het oordeel van de Hoge Raad, beter om de zaak aan te houden totdat duidelijk is of de boedel al dan niet toereikend is om de vordering (deels) te voldoen. Zie aldus ook Verstijlen 2008, p. 562-566. Zie hierover ook Verheul, TvI 2022/25, par. 2.1. Volgens Verheul kan een vordering van een boedelschuldeiser worden toegewezen als nog niet duidelijk is of de boedel toereikend is om de vordering te voldoen. De curator kan zich daarna in een executiegeschil verzetten tegen vroegtijdige tenuitvoerlegging.
Van Faassen & Van Tilburg 2020, par. 5.1; A-G Wuisman, conclusie voor HR 16 oktober 2009, NJ 2009/517, par. 2.3. Dat is ook de reden waarom de Rechtbank Alkmaar in 2009 oordeelde dat een boedelschuldeiser ontvankelijk was in een artikel 69-verzoek in Rechtbank Alkmaar 23 oktober 2009, JOR 2010/281.
Neijt 2019, p. 78-81.
Te raadplegen via www.internetconsultatie.nl/moderniseringfw. Zie ook Renssen 2019, par. 2.6.
Concept memorie van toelichting Wetsvoorstel modernisering faillissementsprocedure, p. 22 (te raadplegen via www.internetconsultatie.nl/moderniseringfw).
Een weergave van het advies van de Raad voor de rechtspraak en ander commentaar op de voorgestelde aanpassing van artikel 69 Fw zijn te vinden in Renssen 2019, par. 3.9.
Neijt 2019, p. 78.
Zie over de exclusiviteit van de rechtsingang van artikel 69 Fw Wessels Insolventierecht IV 2020/4062.
Zie reeds HR 31 december 1920, NJ 1921, p. 223. Zie verder paragraaf 5.3.6.
Vergelijk Verheul, TvI 2022/25, par. 4.3.
In de lagere rechtspraak wordt sporadisch anders geoordeeld,1 maar over het algemeen wordt aangenomen dat boedelschuldeisers niet behoren tot de schuldeisers die bevoegd zijn een artikel 69-verzoek in te dienen.2 De reden hiervoor is dat boedelschuldeisers een directe aanspraak hebben op de boedel en daarom buiten de rechter-commissaris om hun belangen kunnen behartigen, bijvoorbeeld door het leggen van beslag op boedelbestanddelen.3
Verschillende auteurs menen dat artikel 69 Fw ook zou moeten openstaan voor boedelschuldeisers,4 in ieder geval bij een negatieve boedel.5 Daar zijn ook goede argumenten voor. Hoewel boedelschuldeisers in theorie hun eigen belangen kunnen behartigen, bijvoorbeeld door het leggen van beslag, is de praktijk weerbarstiger. Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad moet een vordering van een boedelschuldeiser worden afgewezen als de boedel ontoereikend is om de boedelvordering te voldoen.6 In een dergelijk geval zal ook een gelegd beslag op vordering van de curator worden opgeheven.7 Maatgevend is de stand van de boedel op het moment van de slotuitdeling. Is op het moment van de beoordeling van de vordering nog niet duidelijk of er voldoende middelen zijn om een boedelschuld te voldoen, dan is dat een reden om betaling van (een deel van) de vordering uit te stellen.8
Als sprake is van een negatieve boedel, verricht de curator zijn taak feitelijk uitsluitend in het belang van de boedelschuldeisers. De mogelijkheid van beslaglegging biedt bij een negatieve boedel vaak geen oplossing. Het ligt om die reden voor de hand dat boedelschuldeisers in ieder geval in die situatie de mogelijkheid zouden hebben om op laagdrempelige wijze het beleid de curator met een artikel 69-verzoek aan de rechter-commissaris voor te leggen.9 De rechter-commissaris is beter in staat om hierover te oordelen dan de voorzieningenrechter, bij wie een boedelschuldeiser op dit moment moet aankloppen met een klacht over het beleid van de curator.10
In het consultatievoorstel voor de Wet modernisering faillissementsprocedure was opgenomen dat ook boedelschuldeisers een artikel 69-verzoek konden indienen.11 Volgens de concept memorie van toelichting versterkt dit niet alleen de belangen van de boedelschuldeisers, maar bevordert dit ook de snelheid van de faillissementsprocedure omdat voor het instellen van een rechtsmiddel tegen een beslissing op grond van artikel 69 Fw korte termijnen gelden. Voor het instellen van een rechtsmiddel tegen een beslissing van de voorzieningenrechter gelden veel langere termijnen, wat de afwikkeling van het faillissement kan vertragen.12 Deze mogelijkheid is geschrapt, vanwege de door de Raad voor de rechtspraak geuite vrees13 dat het toekennen van de bevoegdheid aan boedelschuldeisers om een artikel 69-verzoek in te dienen zou leiden tot een forse stijging van het aantal procedures en daarmee kosten van de rechterlijke macht.14 Neijt, zelf rechter-commissaris, betwijfelt of het toekennen van de bevoegdheid aan boedelschuldeisers daadwerkelijk tot een grote toename van (zinvolle) artikel 69-verzoeken en daarmee hogere kosten zal leiden.15 Daar komt bij dat te verwachten is dat het toekennen van het klachtrecht aan boedelschuldeisers leidt tot een afname van procedures bij de voorzieningenrechter.16
Vanwege het belang dat boedelschuldeisers kunnen hebben bij het uitoefenen van invloed op het beleid van de curator, zouden ook boedelschuldeisers naar mijn mening bevoegd moeten zijn een artikel 69-verzoek in te dienen. De argumenten die de Raad van de rechtspraak heeft aangevoerd om de bevoegdheid niet toe te kennen aan boedelschuldeisers, zijn volgens mij onvoldoende steekhoudend. Net als andere schuldeisers zal ook een boedelschuldeiser wel een belang moeten hebben bij zijn verzoek.17 In de regel zal dit belang er niet zijn als al duidelijk is dat de boedelschulden voldaan kunnen worden.18 Omdat de boedelschuldeiser dan niet-ontvankelijk zal worden verklaard, is het niet noodzakelijk de bevoegdheid expliciet te beperken tot negatieve boedels.