Einde inhoudsopgave
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/2.4.2.2
2.4.2.2 Het rechtsonzekerheidsbezwaar tegen open normen
J.Ph. van Lochem, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
J.Ph. van Lochem
- JCDI
JCDI:ADS494988:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Sommige juristen stelden zelfs dat moest worden gekozen tussen welvaartsstaat (later minder hooggestemd aangeduid als verzorgingsstaat) en rechtsstaat. Zie onder meer: Böhtlingk 1958 en Cluysenaer 1959. Dat het hier niet ging om een louter Nederlandse bespiegeling blijkt uit de fundamentele beschouwing over de spanning tussen welvaartsstaat en rechtsstaat van Forstdorff (Forsthoff 1968, p. 165-200).
W.F. Prins deed dat voorstel in 1952 (Stout 1994, p. 81).
Zie, bijvoorbeeld: Donner 1957.
Zo herformuleerde Radbruch zijn eerdere opvatting dat rechtszekerheid de belangrijkste was van de drie pijlers. Houden aan het positieve recht zou niet langer de norm zijn wanneer de kloof tussen het positieve recht en de rechtvaardigheid te groot zou worden. Daarmee gaf Radbruch zijn pijler ‘rechtvaardigheid’ het primaat ten opzichte van de rechtszekerheid (Radbruch 1932). Zie meer over Radbruch in paragraaf 2.4.2.5.3.
HR 12 januari 1942, NJ 1942/271.
Toen na de Tweede Wereldoorlog de weg richting welvaartsstaat met grote ambitie werd ingeslagen en bijgevolg overheidsorganen steeds meer bevoegdheden kregen om deze ambitie waar te maken, wezen juristen op de daaraan verbonden bedreiging van onze rechtsstaat.1 Het ging daarbij niet alleen om de omvang van de overheidsbevoegdheden, maar ook om de ruimhartigheid waarop de wetgever deze bevoegdheden door middel van kaderwetten en open normen regelde. Prins meende destijds dat de enige manier om de nodige rechtszekerheid voor burgers te behouden, was gelegen in een wettelijke regeling van die rechtszekerheid.2
De oproep van Prins kreeg, ook onder juristen, weinig gehoor. Vermoedelijk meenden juristen dat de welvaartsstaatambities te krachtig waren om te stuiten, of was men als jurist te dicht bij politiek en bestuur en dus minder, in elk geval niet uitsluitend, gericht op de rechtszoekende burger.3 Daarnaast was, als gevolg van de Tweede Wereldoorlog, de waarde van rechtszekerheid gedaald.4 Positivisten hadden wat uit te leggen, nadat een strikte hantering van hun opvatting had geleid tot het gehoorzamen van de nationaalsocialistische wetgeving, zelfs tot het niet toetsen van nationaalsocialistische verordeningen aan hoger (internationaal) recht.5 Juist omdat rechtszekerheid destijds bepaald niet populair was, vielen twee auteurs op die daar wel krachtig voor pleitten, namelijk Houwing en De Grooth.