Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.3.6.6
IV.3.6.6 Weet wat je wilt
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460267:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Timmerman 2016b, nr. 2-3, 8-10.
Zie hierboven IV.3.3, IV.3.4 en IV.3.5, of voor een samenvatting van de argumenten en de weerlegging ervan IV.4.2.
Timmerman 2016b p. 326. Hij bezigt dit argument ook in Timmerman 2017a, p. 338-339, dan met een voorbeeld van een arts. Westenbroek 2018b, p. 305 wijst er terecht op dat voor de aansprakelijkheid van hulpverleners jegens hun patiënten de lex specialis van artikel 7:453 BW geldt, dus dat de vergelijking van Timmerman mank gaat.
Timmerman 2016b, p. 326. Voor deze conclusie verwijst Timmerman ook naar de dissertatie van Tjittes over de invloed van een hoedanigheid op contractuele verplichtingen. In een publicatie over bestuurdersaansprakelijkheid uit 2017 stelt Tjittes echter expliciet dat er volgens hem geen goede (rechtspolitieke) redenen zijn om een verzwaarde maatstaf aan te nemen voor externe bestuurdersaansprakelijkheid. Tjittes 2017, p. 376-380.
Aldus ook Karapetian 2019, p. 41-42; Tjittes 2017, p. 379.
Zie o.a. Asser/Sieburgh 6-IV 2019/79; Smeehuijzen 2017, par. 2; Lindenbergh, in T&C Burgerlijk Wetboek, art. 6:162 BW, aantekening 8.e; HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:744, NJ 2019/390, m.nt. Tjong Tjin Tai (EY/X.), r.o. 3.3 en 3.4.4.
Timmerman 2016b, p. 326.
Karapetian 2019, p. 40. Zie ook hierboven par. IV.3.3.2, onder het kopje ‘Aansprakelijkheid op grond van 6:170 BW’.
Zie o.a. Asser/Kortmann 3-III 2017/157; Tjittes 2017, p. 378; Strik 2020, p. 107; Westenbroek 2017, p. 397-401. Zie ook wat Westenbroek schrijft over het gebrek aan bescherming voor degenen die in een andere rechtsvorm, zoals een eenmanszaak, ondernemen: Westenbroek 2017, p. 419-421.
In deze zin o.a. Verstijlen 2013, Karapetian 2019, p. 45, 48.
Zie hierover bijvoorbeeld ook Tjittes 2017, p. 377-380, die meent dat de keuze voor het gelijktrekken van de aansprakelijkheidsmaatstaven voor bestuurdersaansprakelijkheid een rechtspolitieke is, maar dat de rechtspolitieke argumenten om de verzwaarde aansprakelijkheidsmaatstaf aan te nemen niet valide zijn. Ook Karapetian 2019, p. 40 meent dat het argument van het algemene belang niet dragend is voor de toepassing van een ernstig verwijt-maatstaf. Zie voorts Verstijlen 2015.
Zie par. IV.3.4.4 en IV.3.4.5.
Er zijn veel voorbeelden denkbaar van onomkeerbare of oncompenseerbare milieugevolgen, hierbij kan gedacht worden aan klimaatverandering, olierampen zoals in Nigeria en de golf van Mexico, of de gevolgen van de nucleaire ramp in Tsjernobyl. Zie hierover Bleeker 2020c, waarin ik inga op de regulering van moderne risico’s. Zie voor nadere toelichting over de relevantie van de persoonlijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden par. I.3.
Of preciezer gezegd: milieu-inrichting. Een milieu-inrichting kan bestaan uit meerdere rechtspersonen. In het bestuursrechtelijke hoofdstuk komt deze eenheid uitvoerig aan bod.
(Rechtspolitieke) redenen voor het toepassen van de ernstig verwijt-maatstaf
Tot zo ver heb ik betoogd dat het systeem der wet, rechtsgelijkheid en rechtszekerheid geen rechtspolitieke ruimte laten voor de keuze van de rechter om voor bestuurdersaansprakelijkheid af te wijken van de gewone vereisten van de onrechtmatige daad. Ook indien het voorgaande niet overtuigt, en de spelregels van rechtsvinding en fundamentele beginselen van het recht zouden moeten wijken voor de wil van de rechtsbeoefenaars, dan is het nog de vraag of de keuze voor de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf in de context van externe bestuurdersaansprakelijkheid kan worden aangemerkt als een ‘volstrekt legitieme rechtspolitieke keuze’. Want zelfs als recht een willenschap zou zijn, dan moet de wil van de rechter goed doordacht zijn. Daarmee rijst de vraag: waarom willen we de ernstig verwijt-doctrine überhaupt behouden?
Uit het artikel ‘beginselen van bestuurdersaansprakelijkheid’ zijn vier redenen te destilleren voor Timmermans rechtspolitieke voorkeur om de ernstig verwijtmaatstaf toe te passen over de hele linie van bestuurdersaansprakelijkheid: het bange bestuurders-argument; het bewaken van beleidsvrijheid; het risico op hindsight bias; en ten slotte het argument dat het handelen in hoedanigheid de toepassing van afwijkende aansprakelijkheidsregels kan rechtvaardigen.1 De eerste drie redenen zijn hiervoor afzonderlijk uitvoerig besproken, en ik kwam tot de conclusie dat deze argumenten geen steun bieden voor de ernstig verwijt-doctrine.2 Over het handelen in hoedanigheid kan ik korter zijn, dit argument zal ik nu tegen het licht houden.
Intermezzo: handelen in hoedanigheid
In zijn artikel schrijft Timmerman dat bij het aansprakelijk stellen van een bestuurder die heeft gehandeld in de hoedanigheid van een beroepsoefenaar, de uit beroepsregels voortvloeiende verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden niet moeten worden doorkruist door de ernstig verwijt-rechtspraak: “[d]it betekent bijvoorbeeld dat, indien de bestuurder/beroepsbeoefenaar van een praktijk-bv door een cliënt persoonlijk uit art. 6:162 BW wordt aangesproken, voor hem de norm van ‘de redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsbeoefenaar geldt’.”3 Volgens Timmerman blijkt hier duidelijk uit dat “het hebben van een bepaalde hoedanigheid (bestuurder of beroepsbeoefenaar) het toepasselijke onrechtmatige daad-aansprakelijkheidsregime kleurt.”4
Het moge zo zijn dat een hoedanigheid de invulling van bepaalde vereisten van de onrechtmatige daad kan kleuren, maar het is een misverstand om te denken dat het handelen in hoedanigheid kan rechtvaardigen dat wordt afgeweken van de gewone eisen van artikel 6:162 BW. Het voorbeeld dat Timmerman geeft over de persoonlijke aansprakelijkheid van beroepsbeoefenaren wegens onrechtmatige daad leidt niet tot een andere conclusie, maar bevestigt deze conclusie juist. In tegenstelling tot bestuurdersaansprakelijkheid, wordt voor beroepsaansprakelijkheid artikel 6:162 BW ongeclausuleerd toegepast. Beroepsregels, branchegebruiken en private regelgeving zijn relevant voor de normstelling;5 meer specifiek voor de invulling van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW.6 Voor beroepsaansprakelijkheid wordt dus niet afgeweken van de gewone vereisten van onrechtmatige daad.
Vervolgens wijst Timmerman “op diverse vormen van kwalitatieve aansprakelijkheid die in Boek 6 BW zijn geregeld (art. 6:169-6:184). Die haken vaak ook aan bij een bepaalde hoedanigheid en hebben tot gevolg dat bijzondere, overwegend strengere aansprakelijkheidsregels van toepassing worden.” Tegen deze achtergrond vindt Timmerman het vreemd dat er zoveel bezwaar wordt gemaakt tegen “een specifiek, aan een bepaalde hoedanigheid, namelijk die van bestuurder aanknopend bestuurders- aansprakelijkheidsrecht.”7 De vergelijking tussen het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht en hetgeen bepaald is in artikelen 6:169-6:184 BW is echter misplaatst, om twee redenen. Ten eerste bevatten de artikelen waarnaar Timmerman verwijst juist allerlei risicoaansprakelijkheden. Deze artikelen die aanhaken bij een bepaalde hoedanigheid zorgen dus niet voor ‘strengere aansprakelijkheidsregels’, maar juist voor een lagere aansprakelijkheidsdrempel dan het geval is bij een ‘gewone’ onrechtmatige daad. Ten tweede zijn deze artikelen juist voorbeelden van wettelijke uitzonderingen op het gewone aansprakelijkheidsregime. Voor bestuurders ontbreekt die wettelijke basis juist. Kortom, het hoedanigheidsargument is juridisch gezien niet steekhoudend, en levert ook geen rechtspolitieke argumenten op voor het afwijkende aansprakelijkheidsregime voor bestuurders.
Waarom zou je willen afwijken van de onrechtmatige daad?
Als ik het goed zie blijven er geen argumenten over die Timmermans rechtspolitieke keuze – om voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad af te wijken van de gewone vereisten van artikel 6:162 BW – te dragen. Sterker nog, de keuze om de ernstig verwijt-maatstaf toe te passen over de gehele linie van het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht, roept alleen maar rechtspolitieke en rechtstheoretische vragen op. Bijvoorbeeld: ‘waarom mag de bestuurder die een onrechtmatige daad pleegt worden beschermd ten koste van het slachtoffer van zijn gedrag, die door de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel wordt beperkt in zijn verhaalsmogelijkheden?’8; ‘waarom verdienen bestuurders meer bescherming dan (andere) werknemers?’;9 ‘waarom kan eventuele bescherming van de bestuurder niet worden verdisconteerd in de normstelling?’;10 enzovoorts. Timmerman duidt het recht als een willenschap, maar zolang een overtuigend antwoord uitblijft op deze en andere kritische vragen, zie ik niet in waarom we de ernstig verwijt-maatstaf zouden willen toepassen bij bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad.11
Het tegenovergestelde lijkt het geval: de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf levert veel problemen op. Er zijn bovendien veel argumenten denkbaar die pleiten voor de terugkeer naar de gewone onrechtmatige daad. In paragraaf IV.2 en IV.3 kwamen al verschillende rechtstheoretische, rechtshistorische en praktische argumenten aan bod, maar daarnaast zijn ook verschillende rechtspolitieke argumenten de revue gepasseerd. Bijvoorbeeld, omdat rechtspersonen failliet kunnen gaan, is het voor derden van groot belang dat er niet lichtzinnig wordt getoornd aan de hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders voor hun eigen onrechtmatige gedragingen. Een ander voorbeeld van een rechtspolitiek argument tegen de brede toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf, kan worden gevonden in de paragraaf over bange bestuurders. De maatschappij is gediend bij bestuurders die hun verplichtingen naleven, en het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht kan – voor zover dit daadwerkelijk invloed uitoefent op het gedrag van bestuurders12 – een prikkel opleveren voor normconform gedrag. Soms is risicomijdend bestuurlijk gedrag niet onwenselijk, sterker nog, zelfs de bedoeling. De generieke toepassing van een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel is dan contraproductief.
Het voorgaande geldt in het bijzonder voor de milieuaansprakelijkheid van bestuurders. Rechtspolitiek gezien lijkt het me zeer onwenselijk als voor deze vorm van bestuurdersaansprakelijkheid een afwijkend, restrictief aansprakelijkheidsregime zou worden toegepast. Het vinden van een verantwoorde omgang met het milieu is immers één van de centrale uitdagingen van deze tijd. Ondernemingen kunnen enorme, soms onomkeerbare schade aanrichten aan het milieu.13 Een rechtspersoon maakt niet zijn eigen milieubeleid; dat doen de natuurlijke personen achter de rechtspersoon. Mede daarom heeft de wetgever veel milieunormen welbewust niet alleen geadresseerd aan de rechtspersoon, maar ook aan de natuurlijke personen die zeggenschap hebben over de milieurelevante activiteiten binnen de rechtspersoon.14 Die verantwoordelijkheid voor de naleving van de milieuregels mag niet worden uitgehold door de ernstig verwijt-maatstaf: een verantwoorde omgang met het milieu vergt dat degenen met feitelijke zeggenschap over de milieuimpact van ondernemingen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor toerekenbare schendingen van milieunormen. Dit is des te meer reden om voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden niet af te wijken van de gewone vereisten van de onrechtmatige daad.