Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/6.7
6.7 De borgen en medeschuldenaren
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS446093:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een borg in de zin van art. 160 Fw is degene die zich voor het faillissement jegens een of meer schuldeisers als borg heeft verbonden voor de nakoming van de verplichtingen van de schuldenaar. Vgl. art. 7:850 e.v. BW.
Zie art. 272 lid 5 Fw voor het surseance-akkoord en art. 340 lid 3 Fw, waarin art. 160 Fw van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op het akkoord in de schuldsaneringsregeling. Art. 160 Fw is door de invoering van het Nieuw BW op 1 januari 1992 aangepast. Ingevolge art. 7:850 lid 3 BW zijn op borgtocht de bepalingen betreffende hoofdelijke verbintenissen immers van toepassing, voor zover daarvan in titel 14 niet van afgeweken wordt.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 189.
Vgl. Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6159 e.v. en Van Galen/ Verstijlen, Faillissementswet, Deventer: Kluwer (losbl.), art. 160, aant. 1.
Vgl. Molengraaff, p. 515; Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6161e.V.; Van Galen/Verstijlen, Faillissementswet, Deventer, Kluwer (losbl), art. 160, aant. 1 en zie voor een toepassing van art. 160 Fw: Hof Amsterdam 4 februari 1988, NJ 1989, 91.
Zie Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 189 e.v.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 190; Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6164; Van Galen/ Verstijlen, Faillissementswet, Deventer: Kluwer (losbl), art. 160, aant. 1 en Groenewegen/Van Buuren-Dee, (T&C Insolventierecht), art. 160 Fw, aant. 2.
Zie Van Zeben-Van Galen/De Liagre Böhl, art. 136, aant. 2 t/m 5; Elskamp/Van der Heijden, (T&C Insolventierecht), art. 136 Fw, aant. 1 en 2 en Verschoof, Het nieuwe faillissementsrecht, p. 79 en 80.
Elskamp/Van der Heijden, (T&C Insolventierecht), art. 136 Fw, aant. 3 t/m 6; Verschoof, Het nieuwe faillissementsrecht, p. 80 en Van Galen/Verstijlen, Faillissementswet, Deventer: Kluwer (losbl), art. 160, aant. 1.
Memorie van antwoord II, Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, 2-III, Wetswijzigingen, p. 273.
HR 18 mei 1990, NJ 1991, 412, r.o. 3.2 (De Maes Janssens). Met de restrictie dat art. 160 Fw alleen ziet op het gedeelte van de vordering dat wordt omgezet in een natuurlijke verbintenis en niet op het gedeelte van de vordering dat op grond van het akkoord wordt voldaan.
Zie het verslag van de Tweede Kamer met Regeringsantwoord bij art. 135 Fw, Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 138. Vgl. Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6164; Van Galen/ Verstijlen, Faillissementswet, Deventer: Kluwer (losbl.), art. 160 Fw, aant. 1 en Groenewegen/Van Buren-Dee, (T&C Insolventierecht), art. 160 Fw, aant. 2.
Asser/De Boer, nr. 536; Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6164; Van Galen/Verstijlen, Faillissementswet, Deventer: Kluwer (losbl.), art. 160 Fw, aant. 1 en Groenewegen/Van Buren-Dee, (T&C Insolventierecht), art. 160 Fw, aant. 2.
Het akkoord tast de rechten van schuldeisers jegens borgen en andere medeschuldenaren van de schuldenaar niet aan.1 De rechten die schuldeisers op goederen van derden kunnen uitoefenen, blijven gehandhaafd als ware er geen akkoord tot stand gekomen. Dit volgt uit art. 160 Fw.2 In de memorie van toelichting wordt voor het behoud van de rechten jegens medeschuldenaren en derden een aantal redenen gegeven.
"Deze oplossing voldoet het meest aan de behoeften van de practijk en rust op goede gronden. In de eerste plaats leidt daartoe eene juiste waardeering van het wezen en de economische functie van den borgtocht en van de solidariteit, die beide dienen om den schuldeischer veilig te stellen tegen de gevolgen van de insolventie of wanbetaling van den hoofdschuldenaar. Kent men nu aan het akkoord eene bevrijdende werking toe, dan zullen borgtocht en solidariteit in strijd met de bedoeling van partijen ophouden hunne diensten te praesteeren, juist wanneer de schuldeischer daaraan de meeste behoefte heeft. (...) Het akkoord wordt door de schuldeischers aangenomen, niet om rechten prijs te geven of een geschenk te doen, maar om zoveel te verkrijgen als onder de gegeven omstandigheden mogelijk is. Ook om deze reden kunnen borgen en medeschuldenaren zich niet te hunner bevrijding op het akkoord beroepen."3
De betekenis van art. 160 Fw is helder.4 De schuldeisers behouden hun rechten jegens borgen en andere medeschuldenaren van de schuldenaar. Daarnaast laat een akkoord rechten van schuldeisers jegens derden onverlet. Schuldeisers met een recht van derdenpand, derdenhypotheek, voorrechten op goederen van derden of een retentierecht op een zaak van een derde, kunnen deze derden aanspreken voor al hetgeen de schuldenaar hen niet betaalt en krachtens het akkoord ook niet meer behoeft te betalen.5 Uit het verslag van de Tweede Kamer6 blijkt dat de meningen over het in art. 160 Fw gevolgde stelsel verdeeld zijn geweest. Volgens sommigen was de bepaling niet billijk en moesten zij die vóór het akkoord hadden gestemd, geen verhaal meer hebben op de borgen. De meeste leden konden zich echter verenigen met het stelsel van art. 160 Fw, omdat de borg door gebruik te maken van de bevoegdheid van art. 1877 (oud) BW jo. art. 135 (oud) BW voor het betaalde bedrag in het faillissement kon opkomen en dan ook zelf invloed kon uitoefenen op zowel de inhoud als op de totstandkoming van het akkoord.
Voor een schuldeiser die zijn vordering op de schuldenaar verzekerd ziet door bijvoorbeeld een pandrecht op een goed van een derde, is de wijze van afwikkeling van het faillissement van de schuldenaar eigenlijk niet langer interessant door het verhaal dat hij heeft op die derde. Voor de betalende derde is de wijze van afwikkeling van het faillissement echter wel van belang. Om te voorkomen dat een schuldeiser te makkelijk en wellicht zonder goede grond zijn medewerking zal verlenen aan een akkoord en om enige invloed uit te kunnen oefenen over de totstandkoming en de inhoud van een akkoord, kan de derde voor de stemming over een akkoord de betrokken schuldeiser voldoen. Door de betaling treedt de derde in de rechten van deze schuldeiser (art. 6:150 aanhef en onder b BW) en is daardoor gerechtigd mee te stemmen over een akkoord.7
De borg kan in het faillissement van de schuldenaar opkomen voor hetgeen hij heeft betaald aan de betrokken schuldeiser (art. 7:866 lid 1 BW of art. 7:850 lid 3 jo. art. 6:12 lid 1 BW). Dit geldt ook voor de medeschuldenaar voor zover krachtens hun onderlinge rechtsverhouding een vordering op de schuldenaar resteert (art. 6:10 lid 2 of art. 6:12 lid 1 BW). In art. 136 lid 2 Fw wordt een limitatieve opsomming gegeven van de gevallen waarin een vordering van een hoofdelijke schuldenaar tot de verificatie wordt toegelaten.8 De ratio hiervan is, te voorkomen dat in één faillissement twee schuldeisers opkomen voor dezelfde vordering. Zonder de beperkingen van art. 136 lid 2 Fw zou dit mogelijk zijn vanwege art. 136 lid 1 Fw, dat de oorspronkelijke schuldeiser toestaat om voor het gehele bedrag dat hij ten tijde van de faillietverklaring te vorderen had, te blijven opkomen, ook als hij tijdens het faillissement gedeeltelijk wordt voldaan. Een dubbele claim is alleen toegestaan indien concurrente schuldeisers hierdoor niet worden benadeeld (art. 136 lid 2 sub c Fw).9 In verband hiermee is bij de wetswijziging in 1986 de vraag aan de orde geweest of art. 136 lid 2 Fw voor problemen zou kunnen zorgen indien een hoofdelijke medesehuldenaar met een voorrangsreeht in het faillissement van de schuldenaar op de voet van art. 143 lid 1 Fw afstand doet van zijn voorrang. Ingevolge art. 143 lid 2 Fw wordt de schuldeiser door het doen van afstand immers een concurrent schuldeiser en zou dan in beginsel gerechtigd zijn mee te stemmen over een akkoord. In de parlementaire geschiedenis wordt hierover het volgende opgemerkt:
"Bij het tweede lid bedenke men dat de aard van de vordering eraan in de weg kan staan dat na de afstand van de voorrang een relevante concurrente vordering overblijft. In de eerste plaats moet hier worden gedacht aan het geval van de hoofdelijke schuldenaar die uitsluitend dankzij zijn voorrang op grond van artikel 136 lid 2 onder c toegelaten kon worden. Doet hij van die voorrang afstand, dan is derhalve voor zijn toelating als concurrente schuldeiser geen plaats meer; men ziet de noot van Meijers onder HR 15 februari 1929, NJ 1929,1372."10
En de minister vervolgt met:
"De vraag van de commissie of het aanbeveling zou verdienen in de tekst van art. 143 de restrictie op te nemen dat de aard van de vordering eraan in de weg kan staan dat na de afstand een relevante concurrente vordering overblijft, zou de ondergetekende ontkennend willen beantwoorden. In de memorie van toelichting wordt in de tweede alinea bij dit artikel met voldoende duidelijkheid op dit geval de aandacht gevestigd (...) Dat de schuldeiser niet over het akkoord mag meestemmen als hij in het geheel niet in de boedel kan opkomen, spreekt vanzelf en behoeft geen uitdrukkelijke bepaling. Artikel 143 ziet dan ook niet op dit geval, maar alleen op het geval dat wèl een vordering als voormeld overblijft."11
Art. 160 Fw waarborgt dat een schuldeiser ondanks het gehomologeerde akkoord zijn rechten jegens de andere medeschuldenaren kan blijven uitoefenen. Het spreekt voor zich dat in het verlengde hiervan moet worden gezegd dat een akkoord een recht van een schuldeiser jegens een derde volledig intact laat. Goed beschouwd ziet art. 160 Fw niet op deze situatie, omdat het akkoord (de overeenkomst) slechts speelt tussen de betrokken partijen en derhalve niet van invloed is op een recht van een schuldeiser jegens een derde. Zo ook de Hoge Raad in zijn arrest uit 1990:
"De Faillissementswet beschouwt het akkoord als een overeenkomst en er is geen grond deze overeenkomst ten voordele te doen strekken van een derde op wie de schuldeiser verhaal heeft ter zake van het niet voldaan zijn van zijn vordering op de schuldenaar uit hoofde van een door de derde jegens hem gepleegde onrechtmatige daad. Dit laatste zou ook niet stroken met het stelsel van de Faillissementswet en met name niet met het bepaalde in art. 160 Fw volgens hetwelk een schuldeiser, ondanks het feit dat hij de akkoordpercenten over zijn vordering ontvangt, niettemin al zijn rechten tegen de borgen en op het hem door derden verbonden goed behoudt: dienovereenkomstig moet worden aangenomen dat de schuldeiser ook zijn verhaalsrecht op evenbedoelde derde behoudt."12
Kan een derde na betaling aan de schuldeiser voor het verschil tussen hetgeen hij aan de schuldeiser heeft betaald en hetgeen hij op grond van het akkoord ontvangt, zich wenden tot de schuldenaar? Aangezien een akkoord schuldbevrijdend werkt, moet worden gezegd dat een betalende derde de schuldenaar ter zake van de schuld niet meer kan aanspreken.13
Opgemerkt dient hier ten slotte te worden dat onder art. 160 Fw ook valt de echtgenoot en de geregistreerde partner. Indien een schuldeiser een vorderingsrecht heeft op het privévermogen van de echtgenoot van de schuldenaar, kan hij dit recht ondanks het akkoord blijven uitoefenen. Hij kan jegens de echtgenoot van de schuldenaar aanspraak maken op hetgeen bij het akkoord onvoldaan is gebleven.14